|
|
HERBA SANITAS kruidenpraktijk-e-mailconsulten-kruidenopleiding-workshops-cursussen-lezingen
inhoudsstoffen |
|
|
Inhoudstoffen van geneeskruiden © Copyright 2007, Gonnie van Elteren, Herba Sanitas Alle rechten gereserveerd (tekst geschreven door Gonnie van Elteren, op deze tekst rust auteursrecht, kopieren mag alleen met toestemming van de auteur, en met vermelding van de naam van de auteur) Strikt wetenschappelijk gezien werken kruiden door hun inhoudsstoffen. Deze stoffen hebben planten in de loop van hun evolutie ontwikkeld om vraat door dieren tegen te gaan of juist om dieren te lokken en zich met behulp van deze dieren voort te planten. Planten hebben deze chemicalien nodig om de simpele reden, dat ze niet kunnen vluchten, dus moesten er andere overlevingsmechanismen ontwikkeld worden, wilden planten overleven. Toen planten in het Siluur-tijdperk het land gingen koloniseren, waren ze waarschijnlijk allemaal eetbaar, maar met de ontwikkeling van landdieren kwam hun overleven in gevaar en werd het noodzakelijk om deze stoffen te ontwikkelen. Planten die aan fotosynthese doen, zijn het beginpunt van ieder ecosysteem, zij vormen van zonlicht waardevolle suikers, die zijzelf gebruiken, maar waar ook dieren gebruik van maken als zij de planten eten, maar ook vormen deze planten de voedselbron voor organismen als bacteriën en schimmels. Deze theorie is ontstaan in de jaren 50 van de 20ste eeuw en is bedacht door de botanicus Gottfried Fraenkel, die deze theorie uiteenzette in een artikel in Science in 1959. Deze uitleg voor het ontstaan van plantaardige stoffen is niet altijd geaccepteerd geweest, heel lang heeft men gemeend dat de chemicaliën in planten een gelukkige bijkomstigheid waren van de natuur, misschien een bijproduct van de stofwisseling in de plant die opgestapeld werden als giftige afvalstoffen in het weefsel van de plant, en die van geen enkel nut voor de plant zelf zouden zijn, maar wel voor tal van menselijke kwalen.
De belangrijkste inhoudstoffen Hieronder een korte beschrijving van de belangrijkste inhoudsstoffen en hun eigenschappen, het is een zeer summiere opsomming, de meeste inhoudstoffen kennen weer vele varieteiten met ieder hun aparte werking.
Flavonoïden Deze stoffen zijn wijdverspreid over de plantenwereld en komen waarschijnlijk voor in alle bloeiende planten. Waarschijnlijk waren flavonoïde pigmenten het eerste evolutionaire antwoord op direct zonlicht, omdat hun moleculen ultraviolet licht reflecteren. Hun structuur is relatief simpel, ze bestaan uit twee zes-koolstofringen verbonden met een drie-koolstofring. In cellen komen ze voor in de vacuole, een met water gevulde zak die ook afvalstoffen, suikers en pigmenten kan bevatten. Een groep van flavonoïden, de anthocyanen geven een blauwe, paarse of rode kleur aan bloemen, ze zijn oplosbaar in water en staan onder invloed van zuur, zodat een moleculaire constructie kan zorgen voor een hele verzameling kleurvariaties afhankelijk van de zuurgraad van de celvacuole waarin het anthocyaan zich bevindt. Anthocyanen komen ook voor in knoppen en bladeren. De flavonolen een andere groep van flavonoïden, zijn wit of bijna kleurloos en komen voor in bladeren en bloemen. Ze geven de herfstkleur aan bladeren door te veranderen in anthocyanen terwijl ze ook ultraviolet licht reflecteren die indirect zorgt voor de kleurverandering. Verder controleren ze de groei van planten en ze beschermen tegen schimmels en virussen. Een andere opvallende eigenschap van flavonoïden is dat een hoge concentratie van deze stoffen planten onverteerbaar maken voor grazers. Tot nu toe zijn er meer dan 300 verschillende flavonoiden geïsoleerd van planten en er worden er meer dan 4000 herkend. Tot nu toe zijn slechts en paar flavonoiden uitgebreid onderzocht op hun medicinale effect. De medicinale werking van flavonoiden is afkomstig van hun vermogen om infecties te bestrijden, om de vrijgave van histamine te voorkomen (allergieën), om vrije radicalen te bestrijden, de immuniteit te verhogen, de bloedvaten te versterken en de bloedcirculatie te verbeteren, naast andere effecten. Een aantal soorten flavonoiden en een korte opsomming van hun effect:
Bitterstoffen Één van de belangrijkste groepen inhoudsstoffen in medicinale planten. En in smaak één van de meest herkenbare. Ze zijn nogal verschillend scheikundig samengesteld, maar ze hebben allen gemeen dat ze de bitterreceptoren in de mond prikkelen en daardoor een bittere smaak hebben. Grofweg kan men de volgende bitterstoffen onderscheiden:
Bitterstoffen worden intensief gebruikt zowel culinair als medicinaal. Van Koffie en de wortels van de Paardebloem en de Cichorei kan men een lekkere opwekkende drank bereiden. Vermout (Martini) dankt zijn naam aan de plant Absintalsem (Wermout) en wordt veel gebruikt als aperitief, net als Absint. In bier worden hopbellen verwerkt zodat deze ook een bittere smaak krijgt. Angostura is een bekende kruidenbitter, net als Beerenburg en Chartreuse. Binnen de kruidengeneeskunde werden en worden deze bittere remedies gezien als stimulanten en spreekwoorden als ‘bitter in de mond maakt het hart gezond’, ‘hij moet een bittere pil slikken’, ‘geduld is een bitter kruid, maar draagt goede vruchten’, herinneren daaraan. In het lichaam hebben bitterstoffen verschillende effecten, maar ze zijn alleen effectief als ze in aanraking komen met de bitterreceptoren in de mond, alhoewel de meeste bitterkruiden ook andere farmacologische acties hebben in het lichaam. Ze hebben echter weinig of geen effect als ze bijvoorbeeld worden ingenomen in de vorm van een capsule. Het is dus de reactie van de bitterreceptoren die de reacties triggeren die nodig zijn voor het positieve effect. De reactie van de bitterstoffen zorgen voor de afscheiding van het hormoon gastrine, een hormoon dat een zeer belangrijke rol speelt in de spijsvertering. Dit zorgt voor de volgende positieve effecten:
Slijmstoffen De werking in het lichaam van slijmstoffen is vooral fysiek en niet chemisch. Slijmstoffen zijn meestal opgebouwd uit uronische zuren en suikerderivatieven en zelfs als ze worden afgebroken in het spijsverteringssysteem geven ze geen groot farmacologisch effect. Ze zijn zeer resistent tegen maagsappen en komen soms praktisch onveranderd in de darmen terecht. Toch hebben alle planten die ze bevatten, zoals Heemst, Klein Hoefblad, Amerikaanse Iep en de Smeerwortel, allemaal een bijzonder positief effect op de spijsvertering, de luchtwegen en de urinewegen. Looistoffen Waarschijnlijk zijn looistoffen het tweede verdedigingsmechanismen geweest dat planten ontwikkelden om te overleven op het land en veel ‘levende fossielen’ als varens hebben een hoog gehalte aan looistoffen. Net als flavonoïden zijn looistoffen oplosbaar in water en bevinden zich in de vacuoles van levende cellen. Ze zijn geel of bruin van kleur en komen vooral voor in de bast van bomen. Coniferen, eiken, thee en mahonie hebben een hoog gehalte aan looistoffen, maar ook de rozenfamilie en leden van de duizendknoopfamilie. Dieren wijzen in de regel gewassen met een hoog gehalte aan looistoffen af, de smaak is vaak erg bitter, maar ze hebben ook biochemische reacties, wanneer ingenomen in grote hoeveelheden zullen de looistoffen van invloed zijn op het spijsverteringsproces door bepaalde enzymen aan zich te binden. Mensen maken al duizenden jaren gebruik van looistoffen om dierenhuiden in leer te veranderen, dit is te danken aan de samentrekkende werking van looistoffen, deze ‘astringerende’ werking is ook merkbaar als men een kruid met veel looistoffen proeft, de mond trekt samen. Er zijn twee groepen looistoffen, de in water oplosbare en de vaste looistoffen. De eerste zijn derivatieven van enkelvoudige phenolische zuren zoals galzuren of ellagisch zuur, wanneer ze verhit worden in zuur dan geven ze pyrogallol vrij , een antisceptische substantie die ook giftig is voor de lever. In water oplosbare looistoffen worden bruin als ze aan de lucht worden blootgesteld, en zijn ook verantwoordelijk voor de bruine kleur van veel tincturen.Vaste looistoffen zijn meer resistent tegen het splitsen van de moleculen en laten zich daardoor ook minder makkelijk analyseren, ze zijn verwant aak flavonoïde pigmenten. Wanneer ze worden verhit in zuur dan hebben ze de neiging rode kleurstoffen te vormen die ook wel phlobaphenen worden genoemd (dit zijn de roodachtige afzettingen die zich in sommige tincturen vormen, de aanwezigheid van deze stof is een aanwijzing voor een hoge concentratie van vaste looistoffen in een plant, bijvoorbeeld de wortels van de Tormentil en de Adderwortel. Na verhitting blijft de stof catechol over. Vaste looistoffen hebben geen nadelig effect op de lever en verdienen dus de voorkeur. Looistoffen hebben een aantal eigenschappen gemeen:
Al deze eigenschappen dragen bij aan de therapeutische werking van looistofplanten.
Etherische olien Etherische olien verraden hun aanwezigheid onmiddellijk in planten. Ze zijn namelijk verantwoordelijk voor de geur die deze uitwasemen. De functie van etherische olien in planten is heel divers, ze kunnen ervoor zorgen dat de plant wordt beschermd tegen ziekteverwekkers zoals parasieten, schimmels, bacterien en virsussen. Ze kunnen zorgen dat insecten of andere dieren door de plant aangetrokken worden zodat deze helpen bij de verspreiding of de bevruchting van de plant. Andere planten produveren etherische olien die ervoor zorgen dat andere planten niet bij ze in de buurt kunnen groeien, als een vorm van chemische territoriumbewaking. Etherische olien kunnen zeer verschillend en complex van samenstelling zijn, sommige bestaan uit meer dan 500 chemische componenten. Etherische olien worden al duizenden jaren gebruikt door mensen. Onze voorouders die een tak op het vuur gooide die harsen bevatte, merkten al dat de geur naar de hemel opsteeg. De Egyptenaren gebruikten harsen bij het maken van mummies, als antischimmelmiddel, ookw aren de Egyptenaren al meesterparfumeurs die complexe geurmiddelen konden maken met behulp van geurende planten. Planten met etherische olien zorgde er ook voor dat voeding veel langer goed bleef in een tijd zonder vrieskast. Er zijn ook etherische olien die een bewustzijnsverandering teweeg kunnen brengen, zoals die aanwezig in Hennep (tetrahydrocannabinol of THC, thc is een terpeen (vorm van etherische olie). Paclitaxel (taxol) is een andere complexe terpeen, die gevonden wordt in de cellen van de Taxus, deze stof is nuttig gebleken bij de behandeling van diverse hardnekkige kankertypen. In de middeleeuwen leerden eerst de Arabieren (Avicenna) hoe men etherische olien kon isoleren van plantendelen, en later werd deze kennis ook in Europa toegepast. Het onttrekken van etherische olie aan plantendelen gebeurt meestal door stoomdestillatie of door middel van koude persing (citrusvruchten). Veel van deze verkregen etherische olien worden gebruikt in de parfum - en voedingsindustrie, maar de meeste hebben ook een hele duidelijke medicinale werking en worden in de aromatherapie toegepast. Ze worden makkelijk opgenomen door de slijmvliezen en de huid en worden via de bloedbaan doorgegeven aan de rest van het lichaam. Ze zijn op vele manieren inzetbaar en vormen een van de krachtigst werkende plantaardige stoffen.
Eigenschappen van etherische olien
Algehele lichamelijke effecten
Glycosiden Net zoals de alkaloïden komen ook de glycosiden in een grote verscheidenheid voor in de plantenwereld. Iedere glycoside-molecuul bestaat uit een suiker gebonden aan een niet-suiker molecuul, het niet-suiker gedeelte is variabel , afhankelijk van het soort glycoside en juist dit gedeelte van de molecuul is vaak giftig en heeft daarom vaak een medicinale werking. Glycosiden hebben vaak een lichamelijk effect, van het versterken van de samentrekking van de hartspier tot het vertragen van de ontwikkeling van dieren. Glycosiden hebben een heel divers effect op het lichaam en komen in vele varianten voor. Enkele voorbeelden:
Alkaloïden Alkaloiden zijn samenstellingen van ringen van koolstof en nitrogeenatomen die een lichamelijke reacties in dieren kunnen veroorzaken. Alkaloïden zijn chemisch verder zeer divers, maar worden gevormd door aminozuren, de bouwstoffen van proteïnen. Ongeveer 1/5 van de bloeiende planten bevat een of meer alkaloïden en inmiddels zijn meer dan 5000 alkaloïden geïsoleerd. Veel planten maken zelf ook meerdere soorten alkaloïden tegelijk aan, bijvoorbeeld de Slaapbol (Papaver somniferum) die behalve morfine en codeïne nog twintig andere alkaloïden produceert. Alle alkaloïden eindigen op ‘ine’. Alkaloïden behoren tot de meest nuttige en tegelijk meest gevaarlijke stoffen in planten. De ontdekking van alkaloïden is een van de meest kleurrijke hoofdstukken in de medische geschiedenis die begon met de simpele vraag waarom sommige opium sterker was dan andere soorten. Men wist van opium dat het een mengsel was van verschillende chemicaliën en de enige manier om een standaarddosering te krijgen om opium te kunnen gebruiken als pijnstiller was om de stoffen van elkaar te scheiden. De eerste die dat lukte was Friedrich Wilhelm Sertürner (1783-1841). Hij isoleerde de opium kristallen en met veel geëxperimenteer o.a. op vier menselijke vrijwilligers verkreeg hij de juiste en veilige dosering. Sertürner noemde de verkregen substantie morfine, naar de Griekse God van de Dromen, Morpheus. Alkaloïden zijn veel meer dan simpele verjagers van dieren die de planten die ze bevatten eventueel zouden willen eten, ze kunnen deze behoorlijke schade aanbrengen en behoren tot de krachtigste stoffen in het plantenrijk, hun effect kan variëren van het veroorzaken van een alerte staat zoals met cafeïne het geval is tot de dood, zoals met de alkaloïden van de Gevlekte Scheerling (Conium maculatum). Ook Nieswortel (Veratrum viride) dankt zijn giftigheid aan een alkaloïde en is dodelijk in een bepaalde dosering, maar geneeskrachtig ook bij hypertensie. Ook een hallucinogene werking kan dieren afleiden die deze planten zouden willen eten, de effecten van deze stoffen kunnen heel dramatisch zijn zoals we weten, om te overleven kan een dier ze beter niet gebruiken, tot de bekendste hallucinogene planten behoren de Peyote cactus (Lophophora williamsii), Bilzekruid (Hyoscamus niger), Doornappel (Datura spp.), Alruin (Mandragora officinalis, Wolfskers (Atropa bela-donna) en Moederkoren (Claviceps purpurea, al deze planten (en schimmels) bevatten zeer krachtige alkaloïden. Met name de Nachtschadefamilie is rijk aan dergelijke planten. Een aantal soorten alkaloïden, ingedeeld aan de hand van het aminozuur waar ze uit gevormd zijn.
|