Kruiden en de Zwarte Dood

Triomf van de Dood, Pieter Breughel

Pieter Breughel de Oude, De Triomf van de Dood, 1562

‘Ring around the rosey,
A pocketful of posies.
ashes, ashes.
We all fall down’.

Engels wiegeliedje, dat in verband wordt gebracht met de uitbraak van de Zwarte Dood in Engeland. Het zou verwijzen naar de uitslag die de pest veroorzaakte (ring around the rosey), de boeketjes van kruiden (posies), die werden meegedragen door mensen die de ziekte op afstand wilden houden, het verbranden van lijken en huizen van overledenen, of het zwart worden van hun huid (ashes) en het uiteindelijk toch overlijden aan de ziekte van vele mensen (we all fall down).

‘Toen zag ik dit: het lam verbrak een van de zeven zegels en ik hoorde een van de vier wezens roepen met een geluid als een donderslag: ‘Kom!’ Ik zag dit: een wit paard met een ruiter, die een boog droeg. Hij kreeg een zegekrans en trok op als een overwinnaar, de overwinning tegemoet.’

Openbaringen 6:1-8

‘Valentine is done
Here but now they’re gone
Romeo and Juliet
Are together in eternity…Romeo and Juliet
40,000 men and women everyday…Like Romeo and Juliet
40,000 men and women everyday…Redefine happiness
Another 40,000 coming everyday…We can be like they are
Come on baby…don’t fear the reaper
Baby take my hand…don’t fear the reaper
We’ll be able to fly…don’t fear the reaper
Baby I’m your man…’

The Reaper (don’t Fear), Blue Öyster Cult

De Zwarte Dood

De Zwarte Dood is de meest dodelijke pandemie geweest, die de mensheid ooit geteisterd heeft. De ziekte sloeg toe in Europa tussen de jaren 1347 en 1350 en had hiervoor ook al in delen van Azië toegeslagen. Er zijn verschillende schattingen over het aantal slachtoffers van de ziekte wereldwijd, maar gesteld wordt, dat tussen de 30 en 60% van de wereldbevolking overleed ten gevolge van de ziekte. In Europa zorgde het in een aantal gebieden voor een totale ontvolking. De uitbraak van de ziekte had zeer grote gevolgen voor het verloop van de geschiedenis en zorgde voor enorme sociale, politieke, religieuze en psychologische verschuivingen.

Als herborist met een grote interesse voor geschiedenis, raakte ik gegrepen door de voorgestelde geneesmiddelen tegen de pest en visies op gezondheid, zoals die gegeven werden door de artsen van de 14de eeuw, maar ook door de volksgeneesmiddelen die werden toegepast door armere mensen, die hoopten aan de ziekte te kunnen ontkomen. De meeste waren zinloos tegenover het geweld van de micro-organismen die de ziekte veroorzaakten, maar de gekozen middelen ondersteunen wel de toen heersende ideeën over het ontstaan van ziekten. En een aantal zullen mogelijk wel een positief effect hebben gehad in het voorkomen van de ziekte. Het overgrote deel van deze middelen was gebaseerd op plantaardige grondstoffen, zoals de meeste geneesmiddelen uit deze periode.


Hans Holbein, Bilder des Todes, 1538

Verondersteld wordt dat de Zwarte Dood (een naam voor de pandemie, die overigens pas in de 16de eeuw ingang vond, de middeleeuwers zelf noemde de ziekte ‘de grote pestilentie’, ‘de grote pest’ of ‘de grote sterfte’), een uitbraak is geweest van de pest, een infectieziekte veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis, in dit geval een samengaan van drie verschillende typen pest. Het meest voorkomend was de builenpest, waarbij mensen besmet raken door vlooien die gewoonlijk verblijven op met Yersinia besmette ratten, maar die door het sterven van deze gastheren, op zoek moeten gaan naar een nieuwe gastheer, in dit geval de mens. Deze vorm van de ziekte veroorzaakte de typerende opgezwollen en ontstoken lymfeklieren (bubo of builen) in de liezen en oksels. Uit deze builen stroomde pus en bloed, met daarin grote aantallen bacteriën. Symptomen waren verder koorts, pijnlijke gewrichten, misselijkheid en braken. Het sterftecijfer na besmetting was tussen de 30 en 75%. De meeste mensen stierven binnen acht dagen. Verder kwam ook longpest voor, waarbij besmetting gebeurde via het inademen van luchtdeeltjes uitgeademd en uitgehoest door geïnfecteerde mensen. Deze vorm was nog dodelijker, het sterftecijfer was tussen de 90 en 95%. De symptomen waren koorts, het ophoesten van bloederig sputum, verschrikkelijke dorst en mensen stierven sneller aan deze versie van de ziekte. Als laatste heerste er mogelijk ook een vorm van septische pest, waarbij het bloed geïnfecteerd raakte met de bacterie, deze vorm had een sterftecijfer van 100%, met als symptomen hoge koorts en paarse huidvlekken, veroorzaakt door onderhuidse bloedingen.

Opvallend was de snelheid waarmee de ziekte zich verspreidde over het Europese continent, men heeft uitgerekend, dat de infectie zich met een vaart van 2 mijl per dag verspreidde, een snelheid die gelijk staat aan het aantal mijlen, dat een voetganger gemiddeld per dag aflegt. Onder andere dit gegeven heeft er voor gezorgd, dat er de afgelopen decennia een wetenschappelijke controverse is ontstaan over de ware aard van de Zwarte Dood in de 14de eeuw. Was het wel Yersinia pestis, die de grote sterfte veroorzaakte, of was er mogelijk een andere besmettelijke ziekte die zo vernietigend rondwaarde? Hierover later meer.

Pathogenese van Yersinia pestis

Pestbacteriën komen voor bij in het wild levende knaagdieren. De ziekte wordt in deze dieren verspreidt via besmette vlooien. Deze zuigen het besmette bloed op, hierdoor worden de vlooien ook ziek. De aanwezigheid van de pestbacterie in het systeem van de vlo, zorgt voor obstructies in hun spijsvertering, hierdoor worden voedingsstoffen niet verteerd en krijgt de vlo verschrikkelijke honger. Deze honger zorgt ervoor dat de vlo agressiever gaat bijten, waardoor de ziekte verder verspreidt wordt. Als de knaagdiergastheer sterft en er zijn geen andere levende knaagdieren in de nabijheid, dan zoekt de uitgehongerde vlo een andere gastheer, dit kan een mens zijn. Echter ook contact met besmette dieren of producten van deze dieren kan leiden tot een besmetting. Grote pestepidemieën onder mensen ontstaan wanneer de ziekte bij knaagdieren voor een grote sterft zorgt en er veel mensen in de nabijheid zijn, waarop de vlo verder kan parasiteren.


Yersinia pestis, de pestbacterie

Besmetting tussen vlooien onderling komt niet voor, en dus is de levensvatbaarheid van Yersinia pestis in de natuur afhankelijk van cyclische transmissie tussen vlooien en zoogdieren.

Na de vlooienbeet ontstaat bij de mens builenpest. In sommige gevallen ontstaat in het verloop hiervan longpest. Deze vorm kan van mens tot mens worden overgedragen, door inademing van besmette druppeltjes. Ook kan septische pest ontstaan, deze vorm is net als longpest, in bijna alle gevallen dodelijk en zeer besmettelijk.

Als een mens besmet raakt door een beet van een met Yersinia pestis besmette vlo, leidt dit tot een enting met pestbacteriën in de huid. De bacteriën komen uiteindelijk in lymfeklieren terecht, waar een snelle vermenigvuldiging plaatsvindt. Deze leidt tot verettering en vernietiging en uiteindelijk tot necrose van gezond weefsel. Als een dergelijk ontstoken lymfeklier in het lichaam doorbreekt, ontstaat er een uitzaaiing van de bacteriën naar de long of het hersenvlies. Ook kunnen de bacteriën een inwendige vergiftiging veroorzaken, die uiteindelijk kan lijden tot een shock, stolsels in het bloed en de dood.

In 1894 werd de bacterie geïsoleerd door de Franse bacterioloog Alexander Yersin in Hong Kong, de pathogenese van de ziekte werd pas in de jaren 20 van de 20ste eeuw ontdekt.

In 2001, slaagden onderzoekers aan het Sanger Centre in Cambridge om de hele genetische kaart van Yersinia te ontdekken. Zij ontdekte dat Yersinia pestis van oorsprong een onschuldige bacterie was, die leefde in de maag van ratten. Ongeveer 1500 jaar geleden, ontdekte deze bacterie een manier om genen van andere bacteriën en virussen in zijn genoom op te nemen, waardoor de bacterie in staat was om in de bloedbaan van de gastheer binnen te komen. Dit was slecht nieuws voor de rat en andere gastheren, waaronder mensen, omdat de bacterie veel meer virulent werd.

Builenpest werd endemisch waar zwarte ratten en vlooien samenleefden in havens en dorpen in gematigde klimaatzones. Als mensen zich verplaatsten verspreidde de ziekte zich. De zwarte rat is een goede klimmer en voedt zich met graan in de ruimen van schepen en op deze manier reisde de rat naar nieuwe havens en infecteerde de rattenpopulatie van de nieuwe bestemming. Ratten overleven de ziekte langer dan mensen, en in deze periode konden de vlooien en daarmee de bacteriën meereizen met de ratten en zo andere levende wezens besmetten.

Giovanni Boccaccio’s beschrijving van de Zwarte Dood in Florence, uit De Decamerone, geeft een goed beeld van het verloop van de ziekte:

‘In het jaar 1348 na de vruchtbare incarnatie van de Zoon van God, werd, die mooiste van alle Italiaanse steden, het nobele Florence, getroffen door dodelijke pest. Het begon in het oosten en werd veroorzaakt onder invloed van hemellichamen of omdat Gods gerechtvaardige woede over onze kwaadaardige daden hem een straf deed zenden naar de sterfelijken; die in een paar jaar een onnoemelijke hoeveelheid mensen liet sterven. Moeiteloos trekkend van plaats naar plaats, verspreidde het zich naar het westen. Tegen deze pest waren alle menselijke wijsheid en inzicht tevergeefs. Bevelen werden gegeven om de stad te reinigen van vuil, het binnenhalen van een ziek persoon was verboden, vele adviezen werden gegeven om gezond te blijven; tegelijkertijd werden er nederige gebeden gericht aan God, door vrome mensen in processies en anderszins. En toch, in het begin van de lente van het genoemde jaar, begonnen de verschrikkelijke resultaten zichtbaar te worden en op een wonderbaarlijke manier. De symptomen waren niet hetzelfde als in het oosten, waar een stroom bloed uit de neus, een duidelijk teken was van een onafwendbare dood; maar het begon bij zowel mannen als vrouwen met zwellingen in de liezen of onder de armen. Deze groeiden tot de grootte van een kleine appel of een ei, min of meer, en deze werden gewoonlijk tumoren genoemd. In een korte tijdsspanne verspreiden deze tumoren zich vanuit deze plekken over de rest van het lichaam. Hierna veranderde de symptomen en verschenen er zwarte of paarse vlekken op de armen en dijen, of andere delen van het lichaam, soms een paar grote, soms vele kleintjes. De vlekken waren een teken van een zekere dood, net als de oorspronkelijke tumor, dat was en bleef. Geen doktersadvies, geen medicijn kon deze ziekte tegengaan of verlichten. Een enorm aantal onwetende mannen en vrouwen noemden zich artsen, naast diegene die waren geoefend. Of de ziekte was zo dat er geen behandeling mogelijk was of de artsen waren zo onwetend dat zij niet wisten wat het veroorzaakte en daardoor geen goede remedie konden geven. In ieder geval herstelde slechts weinigen; de meeste mensen stierven binnen drie dagen na het verschijnen van de tumoren hierboven beschreven, de meeste zonder koorts of andere symptomen. Het geweld van deze ziekte was zo, dat de zieken het overbrachten op de gezonde mensen die in hun nabijheid verbleven, net zoals vuur alles verteert wat droog en olieachtig is in zijn nabijheid. En zelfs erger. Spreken of in de nabijheid zijn van een zieke bracht infectie en gewoonlijk de dood; het aanraken van de kleding of andere spullen die de zieke had aangeraakt of gedragen, gaven de ziekte aan de persoon die ze beroerde’.


Toggenburg bijbel, gravure met pestslachtoffers,141 (let op de man met het bosje kruiden)

Hoe het begon

Door wetenschappers die ervan uitgaan dat de Zwarte Dood werd veroorzaakt door Yersinia pestis, wordt algemeen aangenomen dat de verspreiding van de ziekte begon in Centraal-Azië. De pestbacterie komt regelmatig voor in populaties van knaagdieren op de steppe van Klein-Azië. Ziektegevallen verschenen voor het eerst op de steppes van Klein-Azië. Centraal-Azië was in de middeleeuwen een knooppunt van handelsroutes, zoals de Zijderoute, en ook de Mongoolse legers die in deze tijd steeds verder westelijk oprukte. Deze gegevens vormden een ideale uitgangspositie voor de bacterie om zich verder te verspreiden. In Europa verschijnt de ziekte voor het eerst in de plaats Kaffa (nu Theodosia), aan de Krim in 1347. Kaffa werd op dat moment langdurig belegerd door Mongoolse troepen onder leiding van Jani Beg, dit leger was al besmet door de ziekte en besmette lijken werden over de stadsmuren gekatapulteerd, als een van de eerste voorbeelden van biologische oorlogsvoering. Een aantal in de stad aanwezige Genueze handelslieden kon via schepen de stad ontvluchten, maar voerden ook de ziekte verder mee naar Italië.

In oktober 1347, bereikten de schepen de haven van Messina op Sicilië, met aan boord dode en stervende schepelingen en besmette ratten en vlooien, sommige schepen van de gevluchte vloot stranden aan kusten met alleen lijken aan boord. Deze schepen werden geplunderd en de plunderaars verspreidden de ziekte verder Italië in, en bereikte Genua en Venetië tussen 1347–1348.

Vanuit Italië verspreidde de ziekte zich verder door Noordwest-Europa. Frankrijk, Spanje, Portugal en Engeland waren tegen juni 1348 allemaal aangedaan door de ziekte, tussen 1348 en 1350 waren ook Duitsland en Scandinavië besmet. Uiteindelijk verspreide de ziekte zich tot Noordwest-Rusland in 1351 en zelfs tot in Groenland, waar die ziekte via Bergen in Noorwegen terechtkwam middels handelsschepen. De kleine kolonie Europeanen die zich op Groenland bevond, werd volledig uitgeroeid door de ziekte, handelsschepen die jaren na de pestepidemie terugkeerden naar het gebied, troffen lege dorpen aan, waar het vee verwilderd in rondwaarde.


Verspreiding van de Zwarte Dood in Azië en Europa in de 14de eeuw

In een periode van vier jaar stierven in Europa, tussen de 25.000.000 en 50.000.000 mensen aan de Zwarte Dood. Sommige delen van Europa bleven relatief gespaard, waaronder Polen en ook de Lage Landen. Sommige gebieden waren te geïsoleerd om bereikt te worden door de ziekte, andere bleken minder bevattelijk voor de ziekte om andere redenen.

De pest keerde na 1351 nog vele malen terug naar Europa, maar nooit meer zo desastreus als in deze jaren. In de 19de eeuw verdween de pest geheel uit Europa. De ziekte slaat sporadisch nog steeds toe in India en Afrika, en er bestaan nog steeds reservoirs van de bacterie in knaagdierenpopulaties in het zuiden van de Verenigde Staten.

Waarom sloeg de ziekte zo hard toe in Europa?

De Zwarte Dood, veroorzaakte ongemeen veel slachtoffers in Europa, grofweg gezegd overleed 50% van de bevolking aan de ziekte. Mogelijk was de vorm van de ziekte extreem virulent, maar er zijn ook andere redenen te noemen, waarom de epidemie zo dodelijk was voor zoveel mensen.

De 14de eeuw was voor Europa een zeer turbulente tijd, niet alleen politiek, maar ook klimatologisch waren er zeer veel grote veranderingen. Aan het eind van de 13de eeuw eindigde het middeleeuws klimaatopticum, een klimatologisch warmere periode die begon rond 800. Het warmere klimaat in deze periode zorgde voor hoge oogstopbrengsten en daarmee ook voor een aanzienlijke bevolkingsgroei. Na deze periode kwamen er veel strengere winters en natte zomers, waardoor de oogsten vaak mislukten en er veel minder mensen gevoed konden worden. Dit leidde in de jaren 1315/1317 (sommige bronnen noemen ook 1315 tot 1322) tot een verschrikkelijke hongersnood, die bekend staat als de Grote Hongersnood, die toesloeg een groot deel van Noordwest-Europa. Deze hongersnood was het resultaat van een grote bevolkingsgroei uit eerdere perioden, met als resultaat dat er in de vroege 14de eeuw te weinig geproduceerd werd, om het grote aantal monden te voeden. Voedselprijzen stegen tot enorme hoogten en ook de productiviteit van arbeiders verminderde sterk, waardoor allerlei projecten niet konden doorgaan en men ook minder voedsel kon produceren. Mensen zochten hun toevlucht tot wilde planten en zelfs zijn er gevallen gedocumenteerd van kannibalisme.


Albrecht Durer, De Vier Ruiters van de Apocalyps, 1498

Mogelijk had deze hongersnood een verband met een uitbarsting van de vulkaan Pinatubo, op de Filippijnen in het jaar 1315, dergelijke verstoringen in het weerpatroon komen vaker voor na een ernstige vulkaanuitbarsting. Pas rond 1325 begon de voedselvoorziening weer normale vormen aan te nemen.

Een andere consequentie van de hongersnood, was een sterk verminderde weerstand tegen allerlei ziekten, vooral bij de armere delen van de bevolking. In deze periode aan het begin van de 14de eeuw, was er bijvoorbeeld een ernstige tyfusepidemie en stierf veel vee door een anthraxepidemie.

Middeleeuwse visies op het ontstaan van de Zwarte Dood

‘De straf van God’

Door de meeste mensen in het 14de eeuwse Europa, werd het toeslaan van de Zwarte Dood gezien als een straf van God. Men had geen idee van microscopisch kleine ziekteverwekkers en geen notie over hoe de ziekte effectief bestreden kon worden. Men zag wel in dat de ziekte besmettelijk was, maar de meeste maatregelen tegen de verspreiding van de ziekte waren gebrekkig.

Paus Clementius VI, schreef in zijn bul, waarin hij trachtte om de beschuldigingen tegenover de Joden, als verspreiders van de ziekte te weerleggen, dat hij de ziekte zag als “de pestilentie waarmee God, de Christelijke gemeenschap een les las’.

Andere kerkelijke autoriteiten namen andere maatregelen in het kader van repentie en een nieuwe religieuze bezieling. In Orvieto voegde de clerus 50 nieuwe religieuze feestdagen toe, aan de toch al overvolle middeleeuwse kerkelijke agenda. Dit bleek een zinloze maatregel, 50% van de bevolking van Orvieto stierf aan de pest.

In de Franse stad Tournai, dacht men Gods wrake te voorkomen door de publieke moraal te verbeteren, mannen en vrouwen die ongehuwd samenwoonden, moesten onmiddellijk huwen, en men verbood vloeken, dobbelen en werken op zondag. Ook deze stad ontkwam op deze wijze niet aan de pest, zoals te lezen is in de kroniek van Gilles Le Muisit.

Massaal zochten mensen hun toevlucht tot boetedoening en religie. Het dragen van religieuze voorwerpen nam een vlucht, men bezocht in groten getale bedevaartplaatsen en processies, daarmee de kans op besmetting verhogend.

Een bekend verschijnsel werden de geselbroeders of flagellanten. Deze beweging van zichzelf kastijdende mannen, bestond al veel langer, maar bereikte zijn hoogtepunt gedurende de Zwarte Dood. In het bijzonder in Noord – en Centraal-Europa trokken groepen flagellanten door het land, bijvoorbeeld de Broeders van het Kruis, die actief waren in Duitsland en de Lage Landen. Zij droegen witte mantels en trokken van plaats tot plaats om hun boetedoeningritueel uit te voeren. Het ritueel begon met het lezen van een brief, waarvan beweerd werd, dat deze was bezorgd door een engel, en waarin de activiteiten van de flagellanten werden gerechtvaardigd. De broeders vielen vervolgens op hun knieën en begonnen zichzelf te geselen, onder het zingen van liederen, totdat het bloed van hun rug stroomde.


De Flagellanten in Doornik, Miniatuur uit de kroniek van Aegidius Li Muisis, 1349

In eerste instantie werden de flagellanten gunstig bejegend door de autoriteiten, maar al snel begon de beweging meer en meer randfiguren aan te trekken en werden de geselpraktijken steeds meer hedonistisch en seksueel van aard. Dit kan ook het gevolg zijn geweest van het idee, dat hoe meer zonden men bedreef, des te sneller de gramschap van God zou neerdalen op de mensheid, of de gedachte dat de wereld toch op zijn einde liep en hun individuele acties geen gevolgen meer hadden. De kerkelijke autoriteiten hadden ook weinig op met de flagellanten, omdat zij de officiële katholieke leer ondermijnden. Ook merkte men op dat de flagellanten de pest verspreidden. Al deze factoren zorgde ervoor dat men de flagellanten niet langer toestond steden en dorpen te betreden.

De leer van de kerk bleek weinig effectief te zijn in het bestrijden van de ziekte, dit zorgde voor een cynisme tegenover de katholieke kerk en kerkelijke gezagsdragers.

Men zag dat de kerk zich terugtrok en dat sommige geestelijken hun plicht verzaakte om niet besmet te worden. Toch waren er ook veel geestelijken die zich wel bekommerden om de zieken, onder vooral ziekenbroeders – en zusters zijn er disproportioneel veel sterfgevallen ten gevolge van de ziekte. Jean de Venette schrijft in zijn kroniek over de Zusters van het Hotel Dieu in Parijs bijvoorbeeld: ‘Een groot aantal van de heilige zusters van het Hotel Dieu die, niet vrezend voor de dood, de zieken verpleegden in alle liefde en nederigheid, zonder gedachte of eer, een aantal te vaak vernieuwt door de dood, rusten in Vrede met Christus.’

Na de epidemie was er een enorm tekort aan geestelijken, hierdoor werden veel leken gehaast ingewijd in de kloosters, deze waren vaak niet in staat om de discipline op te brengen van hun voorgangers. Dit leidde weer tot teloorgang van de grote kloosters en steeds meer wantrouwen onder de bevolking ten opzichte van de kerk als moreel voorbeeld. De Zwarte Dood heeft zo mogelijk de kiem voor de reformaties van de volgende eeuwen gelegd.

Zondebokken

Toen bleek dat de ziekte niet met boetedoening en bidden te bestrijden was, gingen de mensen op zoek naar zondebokken. Zoals altijd in dergelijke situaties zocht men de schuld bij de zwakste en meest rechtelozen in de samenleving.

Vreemdelingen, lepralijders, bedelaars en misvormden kregen in eerste instantie de schuld, maar al snel werd de ideale zondebok gevonden in de Joden.

Het gerucht dat de Joden achter het verspreiden van de ziekte zaten begon met het verhaal, dat de leiders van de Joodse gemeenschap het vooropgezette plan hadden om de bronnen en het voedsel te vergiftigen en zo ‘de gehele Christenheid te vernietigen’(“ad interficiendam et destruendam totam legem Christianam”). Een van de belangrijkste samenzweerders zou een Rabbi Peyret zijn, die zijn domicilie had in Chambéry in de Savoy, van waaruit hij zijn gifmengers stuurde naar Frankrijk, Zwitserland en Italië.

De eerste ‘bekentenissen’ over de Joodse betrokkenheid bij het vergiftigen van de bronnen vonden plaats in september 1348, in het kasteel van Chillon, aan het meer van Geneve. De initiatiefnemer was Amadeus VI, de Graaf van Savoye. De ondervragers wilden bewijzen dat de Joden het vooropgezette plan hadden om de bronnen en het voedsel te vergiftigen. De ziekte zou zijn verspreidt door de Joden van Savoye naar instructies van een rabbi, die hun vertelde: “Kijk, ik geef jullie een klein pakje, dit bevat een gifbereiding in een klein leren zakje. Dit moeten jullie verspreiden in de bronnen en wellen rondom Venetië en andere plaatsen waar jullie gaan, om de mensen te vergiftigen die dit water gebruiken”.

Deze bekentenissen werden door marteling verkregen en uiteraard werden de ondervragers bevestigd in hun aannames. De bekentenissen werden verspreidt in Zwitserland en via de Rijn naar Duitsland. Het kostte vele duizenden mensen het leven.


Verbranden van de Joden van Straatsburg

Een gruwelijk voorbeeld van deze vervolgingen is de vernietiging van de Joodse gemeenschap van Straatsburg. De pest bereikte deze stad in de zomer van 1348 en doodde meer dan 15.000 mensen. Opvallend was dat in Straatsburg de Joodse bevolking minder last had van de pest, mogelijk was dit te danken aan de raadgevingen van de Joodse arts Balavignus, die de bevolking aanraadde om de reinheidswetten uit Leviticus streng op te volgen en in het Joodse deel van de stad opdracht gaf om vuil te verbranden en alles goed schoon te houden. De stadsraad werd onder druk gezet om de Joden uit de stad te verdrijven, maar was onwillig om aan de wens van de bevolking toe te geven. De stadsraad werd in februari 1349 afgezet en de nieuwe raad gaf de bevolking haar zin. De Joden van de stad werden gearresteerd op vrijdag de 13de.

Op de volgende zaterdag werden de Joden van de stad op een houten platvorm op hun begraafplaats levend verbrand. Meer dan tweeduizend mensen verloren op deze manier hun leven. De mensen die zich wilden bekeren tot het christendom werden gespaard. Ook moesten de Joden alle schuldbekentenissen vernietigen die zij in bezit hadden en werden hun bezittingen verbeurd verklaard en verdeeld over de bevolking.

Dit soort gebeurtenissen vond plaats in alle steden in de Rijnstreek, zoals in Mainz en Keulen. In Zutphen en andere IJsselsteden werden ook alle Joden omgebracht. Tegen 1351 waren 60 grote en 150 kleinere joodse gemeenschappen volledig vernietigd. Vele overgebleven Joden trokken naar Polen, waar 750 jaar later de Holocaust ervoor zorgde dat ook deze Joodse gemeenschappen grotendeels volledig vernietigd werden.

Er waren ook tegengeluiden te horen. Op 26 september 1348, gaf Paus Clementius een pauselijke bul uit in Avignon, waarin de beschuldigingen tegenover de Joden tegengesproken werden, hij stelde dat “bepaalde christenen, verleidt door de duivel, de schuld van de pest aan de Joden willen geven.” Deze beschuldiging en de afslachting van de Joden werden door de paus gezien als een ‘verschrikkelijk iets’. Hij probeerde de Christenen te overtuigen dat ‘aangezien de pestilentie overal heerst, en door een mysterieus besluit van God is veroorzaakt en zowel Joden als vele andere volkeren heeft aangedaan en blijft aandoen, ook op plekken waar geen Joden wonen, is de beschuldiging dat Joden de oorzaak zijn voor de pestilentie een misdaad zonder grond.”

Zowel Karel IV en Peter IV van Aragon probeerden ook de Joden te beschermen tegen de beschuldigingen.
De redelijke argumenten die over het algemeen naar voren werden gebracht door de heersers, werden ook uitgedrukt door de arts Konrad van Megenberg in zijn Buch der Natur: “Maar ik weet dat er meer Joden in Wenen waren dan in iedere andere Duitse stad aan mij bekend en zo velen van hen stierven aan de pest, dat ze hun begraafplaats moesten vergroten. Om dit zichzelf aan te doen, zou een grote dwaasheid zijn.”

Al deze beroepen op het gezonde verstand waren echter ineffectief. Ondanks zijn politiek van bescherming van de Joden, gaf Karel IV in 1350 absolutie aan de burgers van Cheb (Eger) in Bohemen voor het doden en de diefstal die zij gepleegd hadden op de Joodse bevolking.

Zo boven, zo beneden, de sterrenhemel als verklaring voor het ontstaan van de epidemie

In oktober 1348, kwamen de hooggeleerde medici en astrologen van de Universiteit van Parijs samen, om een verklaring te vinden voor het ontstaan van de epidemie. Dit gebeurde op verzoek van Philips, koning van Frankrijk. Astrologie vormde in de middeleeuwen de basis van de officiële geneeskunst. En zowel het ontstaan van ziekten en de manieren van genezen werden verklaard aan de hand van de sterrenhemel.

De artsen en astrologen schreven een lange verklaring over het ontstaan van de ziekte, en de conclusie was dat een conjunctie van Saturnus, Jupiter en Mars op 20 maart 1345, om 13:00, in het huis van de Waterman, had gezorgd voor dood en rampspoed, door pestilentie in de lucht te brengen en door miasmische dampen omhoog te brengen uit de aarde en water. De constellatie werd ook als de oorzaak gezien van een aantal aardbevingen in Europa in 1345, deze brachten volgens de toen geldende miasmentheorie ook kwalijke, ziekmakende dampen in de lucht.


Zodiak man, Les Très Riches Heures du Duc de Berry, 1410

Miasma

De invloed van de sterrenhemel op gebeurtenissen op aarde, vormde ook de basis voor het idee dat miasmen, de directe oorzaak waren van ziekten zoals cholera, malaria of de Zwarte Dood. Miasmen (Oudgrieks voor vervuiling) werden gezien als voorbeelden van een extreem en hardnekkige “slechte lucht”. Dit lijkt nu vreemd, met onze huidige kennis over micro-organismen als de belangrijkste veroorzakers van ziekten (pathogenische verklaring), maar het idee dat miasmen de oorzaak zijn van ziekten, was tot diep in de 19de eeuw standaard medische basiskennis.

Men zag miasma als een vervuilde en giftige nevel of mist, gevuld met deeltjes ontstaan uit rottend materiaal (miasmata), deze deeltjes veroorzaakten de ziekten. Miasmata kon men herkennen aan een kwalijke geur, dit is ook de reden dat zoveel preventieve maatregelen tegen de Zwarte Dood, gebaseerd zijn op sterk geurende plantaardige middelen, die vieze geuren verdoezelen.


Pestdokter uit later eeuwen met een masker, met in de snavel welriekende kruiden om de miasmen op afstand te houden

Hoe vreemd het ook mag klinken, toch is het mogelijk dat een aantal van deze maatregelen zeker hebben geholpen om de ziekte te voorkomen in individuele gevallen. Sterk geurende kruiden zullen allicht vlooien op afstand hebben gehouden. Daarover later meer.

Deze astrologisch/medische verklaring bleef de standaardverklaring van de meeste centrale overheden en van het Vaticaan.

In de kroniek van Jean de Venette, waarin hij de pest in Parijs beschrijft in het jaar 1348, is goed te lezen, hoe de sterrenhemel werd gezien als vervlochten met gebeurtenissen op aarde, gedurende deze periode.

‘In A.D. 1348, werd het volk van Frankrijk en van bijna de gehele wereld getroffen door een andere slag dan oorlog. Want bij de hongersnood, die ik beschreef in de loop van dit verhaal, kwamen pestilentie en de bijbehorende kwellingen, die verschenen in verschillende delen van de wereld. In de maand augustus 1348, na de vespers, verscheen er een grote heldere ster boven Parijs, in de richting van het westen. Hij leek niet op gewoonlijke sterren, ver aan de hemel, maar hij leek dichtbij. Toen de zon onderging en de nacht kwam, scheen deze ster voor mij en ook vele andere broeders, die haar bekeken, stil te staan aan de hemel. Toen de nacht kwam, brak deze ster, tot onze verbazing, in verschillende stralen en terwijl de stralen hun licht over Parijs verspreiden, verdween de ster zelf compleet. Of dit nu een komeet was of niet of dat het was samengesteld uit luchtige wasemingen en uiteindelijk verdampte, dat laat ik over aan de astronomen. Het is hoe dan ook mogelijk dat het een voorbode was van de verbazingwekkende pestilentie die zou komen. Want deze brak kort daarop uit in Parijs en verder door Frankrijk en elders, zoals ik later zal vertellen.”

Maatschappelijke ontwrichting tijdens de Zwarte Dood

Naast de pogroms op de Joden en het verschijnsel van de flagellanten, waren er nog veel meer gevolgen in de samenleving te zien van de epidemie. Allereerst was er de zware psychologische schok die de mensen te verduren kregen toen de ziekte zo massaal toesloeg, mensen moeten wanhopig van verdriet en angst geweest zijn in eerste instantie. Dit uitte zich op heel verschillende wijzen.

Boccaccio beschrijft de verschillende reacties van de mensen in Florence in 1347:

‘Zulk een angst en waanideeën namen bezit van de levenden, dat zij bijna allemaal dezelfde wrede manieren aannamen, namelijk het volledig vermijden van de zieken en alles wat bij ze behoorden. Door dit te doen, dachten zij hun eigen veiligheid te waarborgen’.

‘Sommigen dachten dat een gematigd bestaan en het vermijden van alle overdaad hen zou behouden voor de epidemie. Zij vormden kleine gemeenschappen, geheel gescheiden blijvend van de anderen. Zij sloten zich op in huizen, waar geen zieken waren, aten het beste voedsel en dronken matige hoeveelheden wijn, alle overdaad vermijdend, men hoorde geen nieuws of men praatte niet over dood en ziekte en men vulde de tijd met muziek en dergelijke pleziertjes’.


‘Anderen dachten juist het tegenovergestelde. Zij zochten genezing tegen de pest door te drinken en vrolijk te zijn, men zong en amuseerde zich, iedere trek die zij hadden werd vervuld, lachend en grappen makend over wat er gebeurd was. Zij zette hun woorden om in de praktijk, en gingen dagen en nachten van taveerne tot taveerne, dronken onmatig en gingen in de huizen van de mensen, en deden alleen waar ze zin in hadden. Zij konden dit makkelijk doen, want iedereen voelde zich verdoemd en mensen hadden hun eigendom verlaten, zodat iedere vreemdeling daar naar binnen kon gaan, alsof het hun eigendom was. En met al dit bestiale gedrag, vermeden zij de zieken zoveel mogelijk’.

‘Tijdens al dit lijden en de misère in onze stad, verdween de autoriteit van de menselijke en goddelijke wetten, want net als andere mensen, waren de ambtenaren en de uitvoerders van de wet allen ziek of dood of opgesloten met hun families, dus geen enkele plichtpleging werd uitgevoerd. Ieder mens was daarom in staat om te doen waar hij zin in had’.

De Zwarte Dood zorgde er ook voor dat de dood en het macabere een preoccupatie werden, direct tijdens de epidemie was dit al merkbaar bij de jongeren, die zich in een aantal plaatsten samenschoolden op begraafplaatsen en daar dansten en spelletjes speelden, om zo hun onverschilligheid voor de dood te tonen.

Economisch waren de gevolgen van de Zwarte Dood desastreus. Door de quarantaine maatregelen kwam de handel grotendeels stil te liggen. Winkels sloten hun deuren, markten werden niet langer georganiseerd, omdat er geen klanten waren en er geen bevoorrading was. Landbouwgebieden kwamen braak te liggen, omdat er geen mensen meer waren om de velden te bewerken. Ook het vee werd in de steek gelaten en zwierf over het platteland. Grote bouwprojecten, zoals de uitbreiding van de kathedraal van Siena, kwamen stil te liggen, om nooit meer hervat te worden. Gilden verloren hun vakmensen en konden deze niet gelijk vervangen. Lonen stegen dramatisch en de prijs van het voedsel werd veel lager. Schuldeisers kregen te maken met schuldenaren die stierven en die hun schulden niet konden afbetalen.

Soms gebeurde het dat een heel dorp uitgestorven raakte, omdat de weinige overlevenden besloten om weg te trekken. Hele families stierven uit, hun lege huis achterlatend.

Veel kerkelijke instellingen bleven zolang mogelijk actief, maar er waren ook kerken die de poorten sloten voor de doodsbange massa’s.

Het Engelse parlement sloot twee keer gedurende de ergste dagen van de pest. De meeste overheden bleven echter ondanks alles functioneren en kondigden strenge maatregelen af om de ziekte te voorkomen of te bestrijden.

Het begraven van de lichamen van de doden, werd een logistieke nachtmerrie voor zowel de kerkelijke als de burgerlijke autoriteiten. De meeste middeleeuwers geloofden dat het absoluut noodzakelijk was om begraven te worden in gewijde aarde, om in aanmerking te komen voor de wederopstanding. Maar de kerkhoven rond de kerken en in de kerken zelf was het al snel overvol, daarom werden er in alle haast massagraven gegraven, waarin de lichamen werden geworpen zonder kerkelijke ceremonie. In veel dorpen en steden, waren alleen de zeer armen en vrijgelaten gevangenen bereidt om de doden te begraven. Zo werden er in Italië, galeislaven bevrijdt en deze werd opgedragen om de doden te begraven. Al heel snel bleek, dat deze nieuwe klasse van grafdelvers, hun nieuw verworven vrijheid gebruikten om te stelen, verkrachten en te moorden en de al overbelaste autoriteiten waren niet in staat om adequaat in te grijpen.


Engels pestgraf uit de 14de eeuw

Boccaccio beschreef de situatie in Florence:

‘Het lot van de lagere en de meesten van de middenklasse was nog schrijnender om naar te kijken. De meeste bleven in hun huizen, of uit armoede of met de hoop op veiligheid en duizenden werden ziek. Omdat ze geen zorg en aandacht kregen, stierven ze bijna allemaal. Velen eindigden hun leven in de straten, zowel ’s nachts als gedurende de dag; en vele anderen stierven in hun huizen, en werden alleen verraden, omdat hun buren hun ontbindende lijken roken. Dode lichamen vulden iedere hoek. De meeste werden op dezelfde manier behandeld door de overlevenden. Deze waren meer bezorgd om hun rottende lichamen te verwijderen, dan bewogen tot liefdadigheid jegens de doden. Met behulp van dragers, als men deze kon verkrijgen, droegen ze de doden uit de huizen en plaatsten ze bij de deur. Iedere morgen was er een nieuwe hoeveelheid doden te zien. Ze werden dan op dragers of op tafels gelegd. Zo groot was de hoeveelheid lijken die iedere dag naar de kerken werden gebracht, dat er niet genoeg gewijde grond was, vooral omdat zij iedere dode in een familiegraf wilden plaatsen, volgens oud gebruik. Men was gedwongen om grote kuilen te graven, waar men honderden lichamen in begroef. Hier stapelden zij de lijken als balen in de ruim van een schip en bedekte ze met een dunne laag aarde, totdat de kuil vol was’.

Prominente slachtoffers

De Zwarte Dood epidemie zorgde voor miljoenen doden in Europa, het overgrote deel viel onder de arme bevolking in steden en dorpen, die dicht op elkaar leefden in voor ons zeer onhygiënische toestanden. Maar ook onder de celebraties van de 14de eeuw waren er een aantal slachtoffers:

- Koning Alfonso XI van Castilie (1311 – 1350): de enig regerende vorst die stierf aan de pest.

- Koningin Leonora van Aragon

- Bonne van Luxemburg (1315 – 1349): gemalin van Jean II van Frankrijk.

- Koningin Jeanne van Navarra (1311-1349): gemalin van Philippe III van het koninkrijk Navarra.

- Giovanni Villani (c. 1276 of 1280 – 1348: een Italiaanse bankier, diplomaat en kroniekschrijver, die de Nuova Cronica schreef over de geschiedenis van Florence. Hij beschreef het verloop van de epidemie in Florence, totdat hijzelf ook stierf aan de ziekte, zijn laatste zin is onafgemaakt en geeft een aangrijpend beeld van deze gedreven man.

- Joan van Engeland (1333 of 1335 – 1348): de jonge dochter van Koning Edward III van Engeland. Zij stierf op weg naar haar toekomstige echtgenoot Peter van Castilie, de zoon van Koning Alfonso van Castilie, die later ook aan de pest zou bezwijken.

- William of Ockham (c. 1288 – c. 1348): een Engelse Franciscaner broeder en filosoof.

Maar ook mindere prominenten vonden de dood tijdens de epidemie. Vele landheren en hogere geestelijken verdwijnen na 1350 uit de kronieken. Dit veroorzaakte ook bestuurlijke chaos na de pest.

De Zwarte Dood in de Middeleeuwse cultuur

De Zwarte Dood had een diep effect op de middeleeuwse cultuur en domineerde de kunst en literatuur van de generatie die de ramp meemaakte en nog decennia daarna. De Zwarte Dood, in de middeleeuwen de Grote Pestilentie of de Grote Pest genoemd, bereikte zijn piek in Europa tussen 1348 en 1350.

Hoewel contemporaine kronieken vaak worden beschouwd als de meest realistische beschrijvingen van de Zwarte Dood, waren de effecten van de epidemie ook merkbaar op poëzie, proza, toneel, muziek en kunst gedurende de hele periode door schrijvers als Chaucer, Boccaccio, Petrarca en artiesten zoals Holbein.

Kronieken

De meest nuttige beschrijvingen voor historici van de Zwarte Dood komen naar voren in de kronieken; contemporaine beschrijvingen zijn vaak de enige echte manier om inzicht te krijgen in de verschrikkingen van deze periode op een dergelijke grote schaal. Een aantal van deze kroniekschrijvers waren beroemde schrijvers en heersers zoals Boccaccio en Petrarca. Hun geschriften bereikten echter niet de meerderheid van de Europese bevolking. Bijvoorbeeld, de werken van Petrarca werden gelezen door de rijke edelen en kooplieden van de Italiaanse stadstaten. Hij schreef honderden brieven en poëzie en is een typische vertegenwoordiger van de Hoofse Liefde. Er was echter ook een troubadour, die schreef in de lyrische ouderwetse stijl, in 1348. Peire Lunel de Montech componeerde de smartelijke sirventes “Meravilhar no·s devo pas las gens” gedurende het hoogtepunt van de pestepidemie in Toulouse.

Hoewel de romances populair bleven gedurende de hele periode, kreeg de hoofse traditie concurrentie van gewone schrijvers, die grauwe realistische literatuur produceerde, geïnspireerd door hun ervaringen tijdens de Zwarte Dood. Dit was een nieuw fenomeen, mogelijk gemaakt omdat onderwijs steeds toegankelijker werd voor gewone mensen. Een goed voorbeeld is Agnolo di Tura van Siena:

‘De vader liet zijn kind in de steek, vrouwen hun man, de ene broer de andere; want deze ziekte leek toe te slaan via de adem en het zicht. En zo stierven zij. En niemand kon meer doen dan de doden begraven voor geld of vriendschap. Familieleden brachten hun doden naar een greppel, zo goed als zij konden, zonder priester, zonder goddelijke riten, grote kuilen werden gegraven en werden gevuld met een meervoud aan doden. Omdat zij stierven met honderden, zowel dag en nacht. Zo gauw als de kuilen vol waren, werden nieuwe gegraven….En ik, Agnolo di Tura, bijgenaamd de Dikke, begroef mijn vijf kinderen met mijn eigen handen. En er waren er ook die zo spaarzaam bedekt waren met aarde, dat de honden ze voorsleepten en ze verslonden door heel de stad. Er was niemand die huilde voor de doden, want iedereen verwachtte de dood. En zovelen stierven, dat men geloofde dat dit het einde van de wereld was. Deze situatie duurde van mei tot september’.

De scene die di Tura omschrijft werd gezien door heel Europa. In Sicilië verhaalt een notaris, Gabriele de’Mussi, over de vroege verspreiding vanuit de Krim:

‘Helaas! Onze schepen bereiken de haven, maar van de duizend zeelieden zijn er nauwelijks tien nog in leven. We bereiken ons thuis; onze dierbaren komen van alle kanten om ons een bezoek te brengen. Smart over ons, want we werpen naar hen de pijlen van de dood! …terugkerend naar hun huizen, infecteerden zij al snel hun hele familie, die in drie dagen overleden, en begraven werden in een gemeenschappelijk graf. Priesters en artsen bezochten hen waren ook spoedig dood. Oh dood! Wrede, bittere, respectloze dood! …Wij rouwen om onze ellende, wij waren bang om te vluchten, maar toch durfden wij niet te blijven’.

Henry Knighton vertelt over hoe de pest Engeland bereikte:

‘De verschrikkelijke pestilentie drong door tot de kust bij Southampton en kwam naar Bristol, waar bijna de gehele bevolking omkwam, alsof ze gegrepen werden door een plotselinge dood; want weinigen bleven langer in leven dan twee tot drie dagen en sommige overleden al na een halve dag’.

Broeder John Clyn zag de effecten van de pest in Leinster, nadat de ziekte in augustus 1348 Ierland bereikte:

‘Die ziekte rukte de inwoners weg van dorpen, steden en kastelen, op zo’n manier dat geen mens meer daar zou kunnen leven. De pest was zo besmettelijk dat degene die de doden aanraakte of zelfs de zieken, ook stierf en vaak gelijk werd begraven met het lijk dat hem besmette. Vele stierven aan de karbonkels en door zweren en puisten op de schenen en onder de oksels, sommige stierven door hoofdpijn, andere door bloedspuwen. In het klooster van de Minderbroeders in Drogheda, stierven er 25 en in Dublin van dezelfde orde, stierven er 23. De steden Dublin en Drogheda werden bijna vernietigd en ontdaan van inwoners, in Dublin stierven van augustus tot kerstmis veertienduizend mensen. De pest verzamelde kracht in Kilkenny gedurende de Vasten, want tussen kerstdag en 6 maart stierven 8 priesters. Er was nauwelijks een huis, waar slechts een persoon was gestorven, want gewoonlijk stierven gehuwden met hun kinderen en familie’.


Fragment uit The Canterbury Tales

Aanvullend op al deze persoonlijke verslagen, zijn veel voorstellingen van de Zwarte Dood binnengedrongen in het algeheel bewustzijn van de wereldliteratuur. Bijvoorbeeld de werken van Boccaccio (De Decamerone), Petrarca, Geoffrey Chaucer (The Canterbury Tales) en William Langland (Piers Plowman), die allemaal over de Zwarte Dood verhalen, worden gezien als de beste werken van hun tijd.

Danse Macabre

De Danse Macabre of de Dodendans, was een contemporaine allegorie, met als thema de universaliteit van de dood. Na de Zwarte Dood, werd dit thema steeds veelvuldiger toegepast in kunstwerken, drama en in literatuur. Het thema werd uitgebeeld door een gepersonifieerde Dood, die een rij van dansende figuren leidt, uit alle lagen van de bevolking. De dansende mensen bewegen richting het graf. Meestal ziet men een keizer, koning, paus, monnik, jongeling en een jong meisje. Deze afbeeldingen zijn duidelijk beïnvloedt door de Zwarte Dood, en herinnerde mensen aan de kwetsbaarheid van het leven en hoe betrekkelijk het aardse leven eigenlijk was. Het vroegste voorbeeld is afkomstig van het fresco op het Kerk van de Heilige Onschuldigen in Parijs (1424). Er is ook werk van Konrad Witz in Bazel (1440), Bernt Notke in Lübeck (1463) en houtetsen van Hans Holbein de Jongere (1538). Israil Bercovici stelt dat de Danse Macabre zijn oorsprong vindt onder Sefardische joden, in het 14de eeuwse Spanje.


Danse Macabre, Bernt Notke, 1463

Kadavertombes

Een ander voorbeeld van het zonder opsmuk uitbeelden van de dood, wordt gezien in de laatmiddeleeuwse grafmonumenten. Vanaf 1400 verschijnen er zogenaamde kadavertombes of transittombes, in het Nederlands ook wel ‘gisent’ genoemd, opgericht door de hogere clerus, de adel en rijke kooplieden. Op deze monumenten werd naast de overledene zoals hij tijdens zijn leven was, ook een beeltenis van de overledene als ontbindend lijk of skelet opgenomen. De eerste vinden we terug in de muurtombe van Kardinaal Jean de La Grange (gestorven in 1402) in Avignon. Deze tombes weken sterk af van de voorgaande architectuur van grafmonumenten, waarin alleen een beeltenis van de persoon, zoals deze was gedurende zijn afgebeeld. Deze kadavertombes waren bedoeld om de vluchtigheid van het aardse leven te benadrukken.


Transittombe van John de Arundel or FitzAlan, de 14de Graaf van Arundel (d. 1435)

Invloed van de Zwarte Dood op de Europese folklore

Een zo ingrijpende gebeurtenis als de Zwarte Dood, heeft onmiskenbaar zijn sporen nagelaten in de volksverhalen en andere folkloristische uitingen in heel Europa. In Noord-Europa werd de pest uitgebeeld als een oude, gebogen vrouw in een zwarte mantel met een bezem en een riek. In Noorwegen werd gezegd dat als zij de riek gebruikte, sommige mensen konden ontsnappen, maar als zij de bezem hanteerde stierf iedereen in de gemeenschap.

Een bekend sprookje dat mogelijk zijn oorsprong vindt in de pestepidemie, is de Rattenvanger van Hamelen, waarin een fluitspeler eerst de ratten verwijderd uit Hamelen en vervolgens, nadat de burgers van Hamelen hem daar niet voor willen betalen, hetzelfde doet met de kinderen van de stad, door ze weg te lokken met zijn magische fluit. Je kunt dit zien als een allegorie op de dood van zoveel kinderen gedurende de Zwarte Dood.

In de Catalaanse legende ‘De Heiligen van Arles-sur-Tech’, besluit een heilig man naar Rome af te reizen om daar een relikwie te verkrijgen dat zijn streek moet beschermen tegen de pest. Dit verhaal eindigt een stuk beter dan de Rattenvanger van Hamelen, de man bereikt Rome, verkrijgt zijn relikwieën en naar een barre reis naar huis, wordt hij verwelkomd door zijn streekgenoten, die allemaal de pest zouden overleven.

In Nederland is er een legende uit Overijssel, waarin de pest rondwaarde in de gedaante van een blauwe vlam. Via de schoorsteen of de deur kwam de vlam binnen, waarna het hele huis door de pest stierf.

Wat deden de overheden?

Preventie tegen de Zwarte Dood

Nadat de ziekte zijn Europese intrede had gedaan in de havens van Genua, bereikten geruchten over de ernst van de epidemie al snel de rest van Europa. Men zag in de noordelijke streken de ziekte steeds sneller op zich afkomen, dus men probeerde maatregelen te nemen tegen het uitbreken van de ziekte. De meeste waren zinloos, maar een aantal waren wel degelijk nuttig om de verspreiding van de ziekte in te dammen en tonen ook aan, dat men wel degelijk op de hoogte was van de zeer besmettelijke aard van de ziekte.

Een van de eerste maatregelen die in Italië werden genomen eind 1347, was het terugsturen van schepen die afkomstig waren uit besmette gebieden. Bijvoorbeeld de haven van Venetië, die de wateren sloot voor verdachte schepen en reizigers en schepen meer dan 30 dagen in quarantaine hield voor ze toe te laten tot de haven. Later werd deze periode verlengd tot 40 dagen, vandaar ook de benaming quarantaine. Een andere maatregel die in Venetië werd genomen, was het begraven van pestslachtoffers op afgelegen begraafplaatsen. Deze maatregelen waren verstandig, maar werden te laat geïmplementeerd, tienduizenden Venetianen stierven aan de pest.

Andere Italiaanse steden hadden gelijke maatregelen. Meer landinwaarts, in mei 1348, introduceerde de noordelijke stad Pistoia een serie uitgebreide wettelijke maatregelen, beperkingen op in – en uitvoer van goederen, reisbeperkingen, handel en begrafenissen. Ook dit had geen effect, meer dan 70% van de bevolking overleed aan de pest. Een stad die relatief weinig slachtoffers telde, was Milaan, waar Bernabo, de Hertog van Milaan rigoureuze maatregelen nam, door pestlijders en hun familie in te metselen en door later zieken buiten de stadsmuren in pesthuizen te isoleren. Deze meedogenloze maatregelen hadden een positief effect, Milaan had relatief weinig dodelijke slachtoffers.

In Frankrijk zonden zowel de paus als de koning dringende verzoeken naar de medische faculteit van de Universiteit van Parijs, om de epidemie te onderzoeken en om maatregelen voor te stellen. Het resultaat was de eerder genoemde verklaring over de astrologische oorzaak van de ziekte, met een serie voorstellen om de ziekte te voorkomen, volledig gebaseerd op de toenmalige ideeën over gezondheid en ziekten; een licht en gematigd dieet was belangrijk, baden werd gezien als gevaarlijk omdat het de poriën openden, waardoor men meer vatbaar was voor de ziekte, seks werd sterk ontraden en het eten van fruit was onverstandig, tenzij het om zuur fruit ging, kruidenwijn verdund met water was gezond, vlees en honing werd ontraden.

Andere medische autoriteiten gaven ook verklaringen uit over hoe men de pest kon voorkomen, de meeste klinken ons vreemd in de oren, maar vergeet niet dat de directe oorzaak van de ziekte, pas begin 20ste eeuw ontdekt werd.

Een kleine opsomming van opvallende voorstellen:

- Vluchten naar veilige, dunbevolkte gebieden, geheel naar de geest van de miasmentheorie werd aangeraden om zover mogelijk bij moerasgebieden, laagland, stilstaand water en de kust vandaan te blijven. Goede vluchtplaatsen waren hoge, droge, bergachtige gebieden. Deze maatregel was tot op zekere hoogte zinvol, ratten houden niet van kou en bergen, maar zal ook hebben bijgedragen aan verspreiding van de ziekte. Veel adel en rijke stedelingen vertrokken inderdaad uit de dichtbevolkte steden, zoals beschreven in ‘ De Decamerone’ van Giovanni Boccaccio. Weliswaar was de Zwarte Dood, zonder oordeel en raakte hij alle mensen, maar armere stedelingen en arme boeren waren het meest kwetsbaar.

- Men dacht ook dat het verstandig was om zoveel mogelijk binnen te blijven en hitte te vermijden en de ramen te bedekken zodat zo weinig mogelijk zonlicht binnendrong.

- Lichamelijke beweging moest zoveel mogelijk vermeden worden, ook weer omdat het de poriën openden.

Middeleeuwse geneeskunst en de Zwarte Dood

Gedurende de middeleeuwen was de officiële geneeskunst sterk beïnvloedt door de klassieke oudheid, dit betekende niet dat de geneeskunst geheel gesloten was voor nieuwe ideeën, maar de medische autoriteiten waren strikt gebonden aan kerkelijke regels, bijvoorbeeld betreffende het ontleden van lichamen. De kennis over het functioneren van het menselijk lichaam was dus beperkt en men tastte letterlijk in het donker over het ontstaan van besmettelijke ziekten.

De kern van de middeleeuwse geneeskunst was de Humorenleer, stammend uit de overgebleven geschriften uit de klassieke oudheid. Deze geschriften werden vooral overgeschreven in kloosters en ondergingen ook een christelijke invloed op deze manier. Ziekten waren net zo hard het gevolg van lot, zonde en astrale invloeden, als van lichamelijke oorzaken. Een wetenschappelijke benadering van empirisch ondervinden was geen traditie,

Tegen de 13de eeuw, verlangden vele Europese steden van artsen, dat ze in ieder geval een aantal jaren van studie of training achter de rug hadden, voordat ze een praktijk konden beginnen. Een chirurg had een lagere status dan een geneesheer, omdat chirurgie als een ambacht werd gezien.

Humorenleer

De onderliggende theorie van de middeleeuwse geneeskunst was de humorenleer of humorentheorie. Deze was afgeleidt van medische werken uit de oudheid en zou de westerse geneeskunst tot de 19de eeuw domineren. Deze theorie stelde dat er in ieder mens vier vloeistoffen zorgden voor het reguleren van de lichamelijke en geestelijke functies, de vloeistoffen waren zwarte gal, gele gal, slijm en bloed, deze werden geproduceerd door verschillende organen in het lichaam en als ze in balans waren, een staat die Eukrasia werd genoemd, dan uitte zich dat in een goede gezondheid. Ziekten werden veroorzaakt door een disbalans (Dyskrasia) van de lichaamsvloeistoffen. Teveel slijm bijvoorbeeld kon zorgen voor longklachten, waarbij de patiënt slijm ophoestte om het overtollig slijm kwijt te raken. Een balans van de lichaamsvloeistoffen kon bereikt worden door dieet, medicijnen en door aderlaten, waarbij of een ader werd geopend, vlakbij de plek waar de aandoening zich bevond, of men gebruikte bloedzuigers. De vier humoren werden ook in verband gebracht met de vier seizoenen, zwarte gal met de herfst, gele gal met de zomer, slijm met de winter en bloed met de lente. Maar ook met elementen, organen, temperamenten en een fysiologische aard.

De astrologische tekens van de zodiak werden ook geassocieerd met bepaalde humoren. Wij kennen nu ook nog de woorden cholerisch, melancholisch, flegmatisch en sanguinisch om bepaalde persoonlijkheden te beschrijven.

Het gebruik van kruiden ging op een natuurlijke manier samen met dit systeem, waarbij kruidenremedies werden voorgeschreven die aansloten op het veronderstelde effect wat ze hadden op de lichaamshumoren. Het gebruik van kruiden werd ook beïnvloedt door de signatuurleer, die stelde dat God geneeskruiden had voorzien van een signatuur, bijvoorbeeld het gele sap in Stinkende Gouwe (Chelidonium majus), zou verbonden zijn aan een werking op lever en gal en de witte vlekken op de bladeren van het Longkruid (Pulmonaria officinalis) zouden verwijzen naar de longen van een luchtwegpatiënt. Binnen bepaalde richtingen in de natuurgeneeskunde wordt nog steeds gewerkt met deze beide theorieën.

Pestremedies

De remedies die artsen toen voorschreven tegen de pest, doen in onze tijd vaak bizar aan. Dit geldt voor veel van de middelen die toen werden gepropageerd. Het idee om een al verzwakte patiënt zwaar te purgeren of te aderlaten, gaat rechtstreeks in met wat we inmiddels weten over de oorzaken van ziekten. Maar de voorgestelde remedies sloten naadloos aan bij de toenmalige staat van de medische wetenschap en zijn in die zin rationeel. Een wetenschappelijke benadering die zich in de middeleeuwen vooral baseerde op theorie en niet op directe klinische observatie en ervaring. Men had weinig idee van anatomie, pathologie en epidemiologie, en stond dus met lege handen tegenover het geweld van infectieziektes als de pest.

In de eerder geciteerde verklaring van de medici en astrologen van de Universiteit van Parijs uit 1348, worden een aantal voorstellen gedaan om de pest te bestrijden. Wat erg opvalt aan dit geschrift, is de nadruk die gelegd wordt op de eigen beroepseer van de betrokken wetenschappers, men maakt erg duidelijk dat men een diepgaande kennis moest bezitten van de astrologische oorzaak van de ziekte, om deze te kunnen genezen. Men stelde dat de belangrijkste oorzaak van de grote sterfte, de gebrekkige astrologische kennis van de artsen was. Maar het was volgens de Parijse wetenschappers wel degelijk mogelijk om de ziekte te overleven, als men de voorgestelde voorschriften maar strikt opvolgden.

Als remedies tegen de ziekte worden genoemd aderlaten, het besprenkelen van de vloer van de ziekenkamer met azijn of voor de rijken rozenwater. Heel specifiek worden de pillen van Rasis genoemd, Rasis was een Arabische arts uit de 9de eeuw, die van grote invloed was op de werken van Avicenna. Deze pillen hadden een sterk purgerende werking en bestonden uit Socrota Aloë (Aloë barbadensis), Saffraan (Crocus sativus) en Mirre (Commiphora molmol) in een siroop van Duivenkervel (Fumaria officinalis). Ze moesten eens in de week worden ingenomen, gezien de korte tijdspanne die tussen het uitbreken van de ziekte en de dood bestond, zullen er maar weinig patiënten zijn geweest, die er meer dan 1 hebben ingenomen.

De Aloe in de pillen zal een sterk laxerende werking hebben gehad, de saffraan had een mild pijnstillende werking, was zweet – en winddrijvend en bracht rust, mirre heeft een sterk ontsmettende werking op vooral de luchtwegen en duivenkervel is onder andere stimulerend voor lever en gal en heeft een bijkomend genezend effect op huidaandoeningen. Deze ingrediënten samen waren zeer kostbaar en alleen te betalen door de zeer rijke middeleeuwers.

Als men de ziekte eenmaal had, dan was het volgens de Parijse artsen, belangrijk om de eerste 24 uren al tegenmaatregelen te nemen. Men ging uit van de drie belangrijkste organen in het lichaam, het hart, de lever en de hersenen. Deze drie hadden ieder hun eigen plek om hun afvalstoffen kwijt te raken, voor het hart waren dit de oksels, voor de lever waren dit de liezen en de hersenen raakten hun afval kwijt onder de oren. Wij kunnen hier de plekken herkennen waar de pestbuilen voorkwamen, wij weten nu dat dit de plekken van lymfeknopen zijn, maar dit was onbekend voor deze middeleeuwse artsen. Deze genoemde plekken werden adergelaten als remedie tegen de pest, maar dit zal weinig effect hebben gehad en de patiënt alleen maar meer hebben verzwakt, of ervoor gezorgd hebben dat de pestbacillen zich sneller verspreidden via de bloedbaan.

Na deze handelingen moest de patiënt een zoete pasta tot zich nemen, bestaande uit rozen, drie soorten sandelhout en koude tragacanthgom in pilvorm. Voor de armere patiënt wordt een infuus genoemd van vuurwerkplant (Dictamnus albus), tormentil (Potentilla erecta), pimpernel (Sanguisorba officinalis) en schurftkruid (Scabiosa caucasica).

In de voorschriften tegen de pest, worden ook veel tegenstrijdigheden genoemd, die ons vreemd aandoen, zoals het vermijden van baden, omdat het de poriën opent, maar wel wordt aangeraden om de voeten en het gezicht te wassen en deze te besprenkelen met rozenwater en azijn.

Azijn wordt zeer vaak genoemd als pestremedie, een beroemd voorbeeld is de Vier Dievenazijn. Vier Dievenazijn is een extract met een menstrum van rode, witte, appel of gedestilleerde witte azijn, waarin een reeks aan kruiden getrokken hebben die de gebruiker zouden beschermen tegen de pest. Volgens de overlevering stamde het middel uit de tijd van de Zwarte Dood. Het verhaal achter het extract behoort tot de pestfolklore, vier dieven beroofde gedurende de grote sterfte lijken van kostbaarheden, ze werden betrapt, maar kochten zich vrij door het recept van hun geheime middel te vertellen, dat al die tijd had voorkomen dat ze de ziekte kregen. Er zijn vele variaties op het recept. Het middel is nog steeds verkrijgbaar en kan eenvoudig zelf gemaakt worden. De kruiden die meestal genoemd worden zijn salie (Salvia officinalis), lavendel (Lavandula angustifolia), tijm (Thymus vulgaris) en rozemarijn, altijd samen met knoflook. Aanvullende kruiden die soms ook worden toegevoegd zijn wijnruit (Ruta graveolens), munt (Mentha spp.) en absintalsem (Artemisia absinthium).

Theriak wordt ook dikwijls vermeldt als ultieme remedie tegen de pest, dit legendarische geneesmiddel, stamt uit de klassieke oudheid en is afkomstig van koning Mithridates van Pontus, die zelf veel experimenteerde met gifstoffen en antidota op zijn gevangenen. Dit leidde tot de samenstelling van een universeel antidotum, Mithridatum. Mithridatum werd vervolmaakt door de lijfarts van Nero, en werd daarna Theriak genoemd. Het bevatte meer dan 60 ingrediënten en het duurden maanden om het te bereiden, omdat het middel ook moest fermenteren. Hoe ouder de theriak, hoe beter de kwaliteit.


Apotheker die theriak bereidt, let op de slangen, slangenvlees maakte deel uit van de oorspronkelijke receptuur. Hortus Sanitatus, 1491

De volgende ingrediënten bevonden zich in de middeleeuwse theriak:

- Wortels: Iriswortel, Balsamorrhiza deltoidea, vijfvingerkruid (Potentilla reptans), Rabarber (Rheum rhabarbarum), Gember Zingiber officinale), Angustifolia odorata, Gentiaanwortel (Gentiana), Bergvenkel (Meum athamanticum), Valeriaan (Valeriana officinalis), Holwortel (Corydalis cava), Zoethout (Glycyrrhiza glabra).

- Hout en bast: Kaneel (Cinnamomum zeylanicum), Cassia (Cinnamomum aromaticum).

- Bladeren: Watergamander (Teucrium scordium), Es (Fraxinus excelsior), Steentijm (Calamintha nepeta), Malrove (Marrubium vulgare), Citroengras (Cymbopogon citrates), Muurgamander (Teucrium chamaedrys), Cypres (Cupressus sempervirens), Laurier (Laurus nobilis), Polium montanum (mogelijk Viltige Gamander –Teucrium polium), Gele Hypocist (Cytinus hypocistis)

- Bloemen: Rosa (Rosa spp. Maar waarschijnlijk ging het hier om Rosa x damascena), Saffraan (Crocus sativus), Kuiflavendel (Lavandula stoechas), Lavendel (Lavandula angustifolia), Duizendguldenkruid (Centaurium erythraea).

- Vruchten en zaden: Raapzaad (Brassica napus), Peterselie (Petroselinum crispus), Zwart Komijnzaad (Nigella sativa), Anijszaad (Pimpinella anisum), Kardemom (Elettaria cardamomum), Venkel (Foeniculum vulgare), Sint Janskruid (Hypericum perforatum), Seseli (mogelijk Bergseseli – Seseli montanum), Thlaspi (een tuinkerssoort), Wilde Peen (Daucus carota), Zwarte Peper (Piper nigrum), Lange Peper (Piper longum), Jeneverbes (Juniperus communis), Kruidnagel (Syzygium aromaticum), Canarische wijn, een paddestoel uit de agaricus familie, onbekend welke (Agaricus)

- Gommen, olien en harsen: Acacia Acaciae (acacia), Benzoe (Styrax benzoin), Arabische Gom (Gummi arabicum, Sagapeni (was van een onbekende boom, mogelijk een soort Ferula), Opopanax (Gummi Opopanax chironium), Asafoetida (Gummi Ferula foetida), Mirre (Commiphora molmol), Kerkwierook (Boswellia carterii ), Terpentine uit Cyprus), nootmuskaatolie (Myristica fragans), Opium (Papaver somniverum).

- Dierlijke producten: bevergeil (Castoreum), Addervlees (Trochisci Viperarum), Witte honing uit Narbonne

- Minerale producten: Armeense Bole (een rode klei), Chalciditis (een koperhoudende substantie), Dode Zeezout.

Deze ingrediënten waren bijna allemaal zeer prijzig, de bereidingswijze ingewikkeld en de theriak moest lang rijpen, dit alles maakte dat theriak alleen beschikbaar was voor de zeer rijken. Tegen de pest had het geen enkel effect, behalve dat een flinke hoeveelheid opium, mogelijk het lijden wat minder maakte.

Niet alle adviezen waren zinloos en vaak zijn er scherpe waarnemingen van artsen die werkten tijdens de pestepidemie, zoals de lijfarts van de paus, Guy de Chauliac (ca. 1300 – 1368). Veel artsen ontvluchtten Avignon, waar de Paus op dat moment verbleef, maar de Chauliac bleef en observeerde de ziekte van dichtbij en consciëntieus. Hij zag een duidelijk onderscheidt tussen de builenpest en de longpest. En hij adviseerde paus Clementius om gedurende de epidemie tussen twee laaiende vuren te blijven zitten en zomin mogelijk contact met mensen te hebben, de paus overleefde de epidemie, 50% van de inwoners van Avignon niet. De Chauliac kreeg zelf ook builenpest en beschreef het verloop van de ziekte en de manier waarop hij zichzelf behandelde. Hij sneed in de pestbuilen om de etterende vloeistof te verwijderen en gebruikte zijn eigen medicijnen. Hij schreef ook dat de joden niets te verwijten viel en gebruikte daarvoor wetenschappelijke argumenten.

Geurende kruiden

Omdat men dacht dat ziekten veroorzaakt werden door miasmen die voorkwamen in kwalijk riekende lucht, waren veel van de kruiden die zinvol werden geacht tegen de pest sterk aromatisch. Het voortdurend branden van welriekende stoffen werd gezien als heilzaam, omdat het stank verdoezelde. Kruiden die erg veel genoemd werden in contemporaine remedies tegen de pest zijn jeneverbes (Juniperus communis), rozemarijn (Rosmarinus officinalis), lavendel (Lavandula angustifolia), salie (Salvia officinalis) en tijm (Thymus vulgaris).

De epidemie moet zelf ook een verschrikkelijke en beangstigende stank teweeg hebben gebracht, de geur van de etterende pestbuilen en ontbindende lijken moet alles overweldigend geweest zijn. Dit zal mensen ook gesterkt hebben in het idee dat de pest werd veroorzaakt door verontreinigde lucht.

Voor de middeleeuwers speelden geurige planten een belangrijke rol, dit was al zo ver voor de Zwarte Dood. In het oudste overlevende Angelsaksische manuscript Leech Book of Bald (900-950), zien we dit al overduidelijk terug. Hierin worden geurende kruiden voor tal van aandoeningen aanbevolen, heel typerend is dat magisch denken en gezond verstand hierin hand in hand gaan. Men beviel berokingen aan en baden voor zieken met geurend hout en planten. En ieder kruid en boom had zijn eigen speciale kwaliteit.


Jeneverbes – Juniperus communis

In de middeleeuwen was het al een gewoonte om de vloer te bedekken met kruiden, om ongedierte en stank tegen te houden. Men gebruikte daarvoor rus (Juncus spp.), een plantenfamilie die ook in Nederland voorkomt en stro, daaraan werden welriekende kruiden gevoegd, zoals Lavendel (Lavandula spp.) en tijm (Thymus vulgaris), maar ook Moerasspirea (Filipendula ulmaria), Marjolein (Oreganum vulgare), Gamandersoorten (Teucrium spp) en Hysop (Hyssopus officinalis). . Men deed dit om stank te verdrijven, maar ook om te voorkomen dat men over de gladde vloeren uitgleed. Als de huiseigenaar zeer rijk was, werden ook de stengels en de bladeren van kalmoes (Acorus calamus) gebruikt. De vloeren van het hof van Koning Stephen (Engeland) werden regelmatig bedekt met rus en bloemen en Thomas à Becket gaf opdracht om zijn vloeren iedere dag te bedekken met meidoorn in de lente en met rus in de zomer. Dit alles gebeurde echter vooral bij de rijken, de meeste boeren (en dat was de meerderheid van de bevolking in de middeleeuwen), hadden een vloer van aangestampte aarde. Sommige boeren woonden samen met hun vee in hetzelfde huis, slechts afgescheiden door een muur.

Gedurende de pestepidemie werden kruiden ook meegedragen in zakjes of in kleine boeketjes, die men tegen de neus hield. Ook doeken gedrenkt in azijn of kruideninfusies werden meegedragen. Zeer rijke mensen droegen pomanders mee, dit waren mooi bewerkte hangers van edelmetaal, waarin zich een hars bevond die doordrenkt was van zeer dure aromatische specerijen zoals nootmuskaat, kaneel en kruidnagel. Men rook regelmatig aan deze pomanders om de verstikkende lucht te verdrijven. Ook gebruikte men wel amber, een secretie van de potvis, een ingrediënt dat vroeger veel werd gebruikt in de parfumindustrie, het heeft een zoete geur. Alleen de welgestelden konden zich deze specerijen en amber veroorloven en deze middelen werden als effectiever beschouwd dan de inheemse kruiden.


Lavendel – Lavandula angustifolia

Al deze geurende middelen waren niet effectief tegen de pestbacterie op zichzelf, maar toch is het heel goed mogelijk dat zeker een aantal van deze kruiden een afwerend effect op vlooien hebben gehad, waardoor de kans op infectie minder groot werd.

Opvallend was dat veel van de genoemde kruiden die gebruikt werden als geurmiddel tegen de pest, een hoog gehalte aan thujon bevatten. Thujon is een ketoon en een monoterpeen die voorkomt in twee stereoisomerische (isomeren zijn stoffen met dezelfde moleculaire formule, maar met verschillende structurele formules). De stof maakt deel uit van de etherische olien die sommige planten bevatten. Thujon is een sterk insecticide dat vlooien en luizen inderdaad op afstand houdt. Het heeft een sterke kamferachtige menthollucht. Hieronder een lijst van planten die een flinke hoeveelheid thujon bevatten en regelmatig worden genoemd in pestrecepten:

- Salie – Salvia officinalis

- Boerenwormkruid – Tanacetum vulgare

- Absintalsem – Artemisia absinthium

- Rozemarijn – Rosmarinus officinalis

- Bonenkruid – Satureja montana

- Hysop – Hyssopus officinalis

- Spijklavendel – Lavandula latifolia

- Gamandersoorten – Teucrium spp.

- Pepermunt – Mentha x piperita

- Polei – Pulegium mentha

Ook de etherische olie thymol komt veel voor in de genoemde planten. Thymol is een natuurlijke monoterpene fenol en wordt gevonden in verschillende planten. De stof heeft ook insectenwerende eigenschappen en is sterk antiseptisch. Een aantal planten die thymol bevatten en veel genoemd worden in pestrecepten:

- Tijmsoorten – Thymus spp.

- Bonenkruid – Satureja montana

Was de ‘Zwarte Dood’ wel de pest?

Sinds drie decennia is er onenigheid over de vraag of de Zwarte Dood, wel werd veroorzaakt door de pestbacterie. Deze wetenschappelijke discussie wordt ingegeven door een aantal zaken die een massale bacteriële epidemie tegenspreken. Men baseert zich op contemporaine beschrijvingen van de ziekte, zoals deze werden gegeven door Boccaccio en andere schrijvers.

In 1984, publiceerde Graham Twigg, “The Black Death: A Biological Reappraisal”, waarin hij beweert dat het klimaat en de ecologie van Europa en vooral van Engeland, het bijna onmogelijk maakten voor ratten en vlooien om de builenpest over te brengen. Twigg concludeert, nadat hij informatie over de biologie van de Rattus rattus, Rattus norvegicus, en de gewone vlooien Xenopsylla cheopis en Pulex irritans, had vergeleken met moderne studies naar de epidemiologie van de builenpest, vooral in India, waar R. rattus een inheemse soort is en de leefomstandigheden ideaal voor de verspreiding van de builenpest is, dat het bijna onmogelijk is dat Yersinia pestis de oorzaak is van de Zwarte Dood. Twigg toont ook aan dat de gebruikelijke theorie over een verspreiding door de lucht van longpest niet aantoonbaar is. Hij stelt echter voor, gebaseerd op het heronderzoek van het bewijs en de symptomen, dat de Zwarte Dood een epidemie van antrax geweest kan zijn, veroorzaakt door Bacillus anthracis.

In 2000, wees de IJslandse wetenschapper Gunnar Karlsson erop, dat de Zwarte Dood, de helft tot tweederde van de bevolking van IJsland doodde, hoewel er geen ratten waren op IJsland in de 14de eeuw, ratten werden pas geïntroduceerd in de 19de eeuw. IJsland werd gespaard tijdens latere epidemieën die wel werden verspreidt door ratten. Echter, men kan natuurlijk de longpest verantwoordelijk stellen voor de pestepidemie in het 14de eeuwse IJsland deze vorm en de septische vorm kan wel via menselijke transmissie worden overgedragen.

In 2002, publiceerde Samuel K. Cohn een controversieel artikel, “The Black Death: End of the Paradigm”. In dit artikel stelt Cohn dat de Zwarte Dood niets te maken had met ratten, hij baseerde dit idee op het feit dat de pestepidemieën vooral toesloegen in seizoenen met een hoge vochtigheidsgraad en een temperatuur 10 °C en de 26 °C, omdat rattenvlooien floreren in dit klimaat. In vergelijking, de Zwarte Dood sloeg toe in periode waarin rattenvlooien niet konden overleven, bijvoorbeeld in de hete mediterrane zomers van boven de 26 °C. De Zwarte Dood liet zich voor een periode van 5 tot 15 jaar niet meer zien in een streek, nadat ze had toegeslagen. In tegenstelling tot de moderne pest, die vaak ieder jaar kan toeslaan voor een periode van 8 tot 40 jaar. Als laatste toont Cohn bewijs dat individuen immuniteit verkregen voor de Zwarte Dood en dit gebeurt niet met de moderne pest. Hij stelt dat in 1348 tweederde van degenen die leden aan de zwarte dood overleden, en dat niet meer dan eentwintigste was in 1382 bij een tweede golf van de Zwarte Dood.

Cohn wijst dan ook nog op het gegeven dat in de late 19de eeuw, builen veroorzaakt door builenpest vooral verschenen in de liezen, terwijl middeleeuwse kronieken voor meldingen maken van pestbuilen in de nek, oksels en liezen. Dit verschil is opvallend, omdat vlooien vooral bijten in de onderbenen, hiermee was de lies de eerste lymfeknoop die geïnfecteerd kon worden. De builen in de nek en de oksels lijken dan niet veroorzaakt te zijn door vlooienbeten.

De contemporaine beschrijvingen van de Zwarte Dood, waren voor twee Britse onderzoekers, Christopher Duncan en Susan Scott van de Universiteit van Liverpool, reden om een onderzoek te starten waarover zij in 2001 een boek publiceerden, met de titel Biology of Plagues: Evidence from Historical Populations. In dit boek wezen zij op diverse zaken die niet lijken te kloppen als de Zwarte Dood werd veroorzaakt door de builenpest. Bijvoorbeeld:

· Hoe verspreidde de ziekte zich zo snel? Volgens bronnen uit die tijd, verspreidde de ziekte zich met ongeveer 2 mijl per dag. Dit impliceert dat ratten met hun vlooien, zich met duizelingwekkende snelheid door het platteland voortbewogen. Maar dergelijke observaties zijn er niet geweest. Ratten worden zelden genoemd in verslagen van de Zwarte Dood. (overigens kan dit ook samenhangen met het feit dat ratten en vlooien een zo gewoon verschijnsel waren, dat niemand zich erover verbaasde).

· Hoe kwam de Zwarte Dood over de Pyreneeën en de Alpen? Hoe bereikte de ziekte IJsland en Groenland. Dit zijn lange reizen voor een aan pest lijdende rat, die de voorkeur gaf aan een warmer klimaat.

· Waarom verspreidde de ziekte zich langs handelsroutes of andere plekken waar veel mensen samenkwamen, zoals stedelijke centra, markten, legers en processies?

· En waarom was alleen quarantaine de enige zinvolle maatregel? Dit zou niet gewerkt hebben als de ziekte alleen werd verspreidt via ratten en vlooien. Want deze konden makkelijk ontsnappen uit huizen en dorpen die onder quarantaine vielen.

Dit alles bracht Christopher Duncan en Susan Scott ertoe om met een alternatieve verklaring voor de epidemie te komen. Hun gedachte was dat er een andere manier van besmetting moest zijn dan de rat/vlo/mens pathogenese. Veel logischer lijkt leek een transmissie (besmetting) van mens tot mens, via de lucht en dan waarschijnlijk in de vorm van een virus. In een aantal middeleeuwse beschrijvingen van de Zwarte Dood, worden soms donkere vlekken die verschenen op de huid genoemd. Deze lijken op symptomen van een virale bloedkoorts, bijvoorbeeld zoals Ebola en niet op de builenpest.

Een virale oorzaak van de ziekte, zou ook kunnen verklaren waarom de ziekte zich zo snel verspreidden. Het veronderstelde virus had een incubatietijd van ongeveer 20 dagen. Gedurende deze periode was de patiënt besmettelijk voor andere personen, maar zelf nog niet ziek, dus hij kon zich voortbewegen en in deze periode vele andere mensen besmetten, die op hen beurt ook weer tientallen mensen konden besmetten met het virus, zonder zelf al ziek te zijn. Een snelheid van 2 km per dag, komt overeen met de snelheid waarmee reizigers zich te voet voortbewogen.

Het is erg lastig om deze theorie te bewijzen, maar toch zijn er de laatste jaren enige feiten boven water gekomen die de virustheorie van Duncan en Scott lijken te ondersteunen. Deze feiten komen van de parochiearchieven van het Engelse dorp Eyam, in het Peak District in Midden-Engeland. In september 1540 sloeg de Zwarte Dood opnieuw toe in Engeland, ook Eyam werd aangedaan. In de parochiearchieven van deze kleine gemeenschap wordt een gedetailleerd beeld gegeven van de geboorten, sterfgevallen en huwelijken in deze samenleving. De dorpsvicaris overtuigde de mensen om het hele dorp te isoleren, om te voorkomen dat de ziekte zich verder zou verspreiden door de regio. Gedurende deze periode van quarantaine werd voedsel achtergelaten voor de dorpelingen bij een bron, boven het dorp, dit werd betaald met munten die in azijn werden gedoopt om ze te ontsmetten. Dit leek te werken omdat geen van de omliggende dorpen werd besmet. Een jaar later, kwamen de eerste buitenstaanders poolshoogte nemen in het dorp, toen bleek dat ongeveer de helft van het dorp had het overleefd.

DNA en de Zwarte Dood

In 1996, traceerden onderzoekers van het National Institutes of Health in Washington D.C., geleidt door Dr Stephen J O’Brien, de afstammelingen van de bewoners van Eyam die de zwarte dood overleefden en onderzochten hun DNA. Zij waren nieuwsgierig om uit te vinden of de nakomelingen enige genetische gelijkenis vertoonden, die hun voorouders mogelijk in staat hadden gesteld om de ziekte te overleven. Ze vonden hoge waarden van een genetische mutatie genaamd CCR5-delta 32 onder de nakomelingen. CCR5 is een gen die een proteïne codeert op het oppervlak van witte bloedcellen die dienen als een receptor voor andere moleculen die betrokken zijn bij ontstekingen.

Deze onderzoekers waren bekend met deze proteïne door eerder onderzoek naar HIV, waarin werd aangetoond dat HIV langs deze proteïne kan glippen, en het zelfs als toegangspoort kan gebruiken om in de witte bloedcel door te dringen. Maar mensen met de gemuteerde vorm van dit gen – CCR5-delta 32 – hebben deze proteïne niet en hun witte bloedcellen zijn ondoordringbaar voor een HIV infectie. Zij krijgen of helemaal geen HIV of ze krijgen de ziekte veel trager.

Deze mutatie werd aangetoond in de afstammelingen van de bewoners van Eyam. En niet alleen in Eyam. Streken van Europa die ook waren aangedaan door de Zwarte Dood, en de afstammelingen van overlevenden in Amerika, vertoonden ook hogere waarden van CCR5-delta 32, ongeveer 14% van de populatie, vergeleken met 2% in streken waar de zwarte dood nooit doorgedrongen was, zoals in Azië en Afrika.

Van deze grote sprong in het percentage van de populatie met deze mutatie is gecalculeerd dat deze voor het eerst optrad rond 700 jaar geleden, dus ten tijde van de Zwarte Dood, volgens Duncan en Scott.

Het lijkt erop dat beginnende met 700 jaar geleden, de Zwarte Dood, de genetische frequentie van de CCR5-delta 32 mutatie in de genen van Europeanen verhoogde. Dit beschermde deze populaties tegen latere epidemieën van de Zwarte Dood en ook tegen HIV. De populaties van Azië en Afrika hebben deze bescherming niet en dit verklaart ook waarom HIV/AIDS zich daar veel sneller verspreidt. Het lijkt er ook op te wijzen, dat de Zwarte Dood werd veroorzaakt door een virus menen Duncan en Scott. Zij stellen dat er gedurende de tijd van de Grote Pestilentie twee verschillende ziekten heersten, een virale koorts in Europa, de Zwarte Dood en een builenpestepidemie in Azië en delen van de Middellandse Zee, veroorzaakt door Yersinia.

Aan deze controverse is nog lang geen eind gekomen, ook al slaagde in 2000 Didier Raoult, een Franse bacterioloog erin om via een polymerase-kettingreactie (dit is een manier om uit zeer kleine hoeveelheden DNA (enkele moleculen) specifiek een of meer gedeeltes te multipliceren (amplificeren) tot er genoeg van is om het te analyseren), Yersinia pestis te isoleren uit tandpulp van een schedel uit een 14de eeuws pestgraf in Montpellier. Drancourt en Raoult beschreven gelijke vondsten in een onderzoek uit 2007.

Andere onderzoekers beargumenteerden echter dat het onderzoek niet goed was uitgevoerd en noemde tegenbewijzen. Susan Scott van de Universiteit van Liverpool schreef dat er geen overtuigend bewijs was, om aan te nemen dat de tanden uit Montpellier, inderdaad toebehoorden aan zwarte doodslachtoffers. En in 2003 testte een team geleidt door Alan Cooper van de Oxford University 121 tanden van 66 skeletten gevonden in een 14de eeuws massagraf, waaronder gedocumenteerde pestgroeven in East Smithfield en Spitalfields. Hun resultaten lieten geen genetisch bewijs zien voor Y. pestis, en Cooper pleitte dat “hoewel we Yersinia pestis niet kunnen uitsluiten als de oorzaak van de Zwarte Dood, is er op dit moment geen moleculair bewijs voor”.

Tegenargumenten

Historici die geloven dat de Zwarte Dood wel werd veroorzaakt door de builenpest, hebben verschillende tegenargumenten naar voren gebracht. De snelle verspreiding van de ziekte, zou hebben kunnen plaatsvinden door kleine vochtdeeltjes in de ademhaling van mensen en de slechte gezondheid van veel mensen in deze periode. Historische voorbeelden van pandemieën van andere ziekten in bevolkingsgroepen die nog nooit waren blootgesteld aan de betreffende ziekten, zoals pokken en tuberculose, verspreidt door de lucht onder de Indiaanse bevolking, tonen aan dat deze eerste blootstelling aan de ziekte, veel agressiever is, dan wanneer de ziekte weer toeslaat onder hun nakomelingen, die al erfelijke eigenschappen hebben die hun beschermen tegen de ziekte.

Michael McCormick, een historicus, die de builenpesttheorie onderschrijft, legt uit dat archeologisch onderzoek bevestigd dat de zwarte rat voorkwam in Romeinse tijden en in het middeleeuwse Europa. Het DNA van Y. pestis is aangetoond in tanden van menselijke Zwarte Doodslachtoffers, hetzelfde DNA dat voorkomt bij geïnfecteerde knaagdieren. Hij ontkent niet dat er een vorm van de pest bestaat die zich verspreidt via de lucht (longpest), maar hij stelt dat deze vorm niet zo snel werd verspreidt als vroegere historici zich voorstelden. De rat is volgens hem de enige plausibele drager van de ziekte, die zou hebben kunnen leiden tot de snelle verspreiding van de ziekte. Ratten komen dicht bij mensen en kunnen zeer grote concentraties van de bacterie in hun bloed overleven. Wanneer de ratten stierven, vonden de op hen aanwezige vlooien, die ook besmet waren een nieuwe menselijke of dierlijke gastheer. De Zwarte Dood kwam minder prominent voor vanaf de 18de eeuw, en volgens McCormick, heeft dit alles te maken met het feit, dat vanaf dat moment ratten veel minder contact hadden met mensen.

De nasleep van de Zwarte Dood

Nooit eerder had de wereld een zo vreselijk en massaal aantal doden moeten tellen, als tijdens de Zwarte Dood. Niet alleen in Europa had de ziekte toegeslagen, maar ook in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Azië, stierven tussen de 25 en 40% van de mensen. Exacte cijfers zullen nooit bekend worden, maar het trauma dat de mensheid opliep, kan vergeleken worden met de wereldoorlogen van de twintigste eeuw.

Het eerste effect was merkbaar in de geloofsbeleving van mensen, veel mensen konden niet begrijpen hoe een liefhebbende god, zo een straf op de mensheid kon loslaten en naliet om hen te beschermen tegen de Zwarte Dood. Dit zorgde allemaal voor kritiek op de kerk en een verminderd geloof in de doctrines van de kerk, en dit opende de weg voor het onafhankelijker denken, dat tijdens de Renaissance gemeengoed werd. Religieuze hervormers als John Wyclif en Jan Hus zaagden aan de poten van de Roomse moederkerk en waren de voorlopers van de latere hervormers als Maarten Luther en Johannes Calvijn.

Middeleeuws Europa was grotendeels een feodale samenleving, de meerderheid van de bevolking leefden als horigen of als arme arbeiders in de zich ontwikkelende steden. De Zwarte Dood zorgde voor enorme verschuivingen in de machtsposities van sociale groepen. De massale sterfte zorgde voor een groot tekort aan arbeiders en gaf de overgebleven arbeiders een enorme kans om meer loon te vragen, in het geval van horigen om vrijheid en daarmee een grotere onafhankelijkheid van de landbezittende adel. De lonen stegen enorm, door de sterke onderhandelingspositie van de arbeiders en zorgde er ook voor dat arbeiders veel mobieler werden en op zoek gingen naar de hoogste bieder. Boerenknechten, ambachtslieden en andere arbeiders voelden zich niet langer verplicht om zich te houden aan de vaste werkcondities zoals die eeuwenlang waren bepaald door de adel. Deze laatsten probeerden wel met allerlei nieuwe wetgeving de nieuwe ontwikkelingen te belemmeren, maar dit was onbegonnen werk, omdat de economische omstandigheden nu eenmaal drastisch veranderd waren.

Opvallend waren de volksopstanden die ontstonden na de epidemie. Deze vonden al plaats voordat de Zwarte Dood toesloeg, vanwege de toenemende macht van de steden, waardoor de positie van de adel werd ondermijnd. Maar de opstanden na de epidemie waren veel massaler en veel beter georganiseerd en vonden grotendeels plaats op het platteland. De meeste van deze opstanden werden weer neergeslagen, maar zorgden op de lange duur wel voor permanente veranderingen in de standenmaatschappij van de late middeleeuwen.

Niet alleen de Zwarte Dood was verantwoordelijk voor deze opstanden, maar ook de enorme afstand tussen de rijken en de armen. Binnen de laatmiddeleeuwse maatschappij werden boeren door de adel als minder dan mensen beschouwd, dit gegeven ontstond in de 12de eeuw, de adel onderscheidde zich steeds meer door gedrag, kleding, manieren, dieet, spraak en educatie van de klasse die zij overheersten, dit zorgde voor een groeiende weerzin van het volk tegen de macht van de adel. Verder daalden de inkomsten van de rijken, door de stijgende macht van de steden, die onafhankelijk van de adel hun eigen zaken bestierden, maar ook door het najagen van een steeds hogere levensstandaard. De inflatie steeg sterk, net als de belastingen, omdat koningen steeds meer geld nodig hadden voor het voeren van oorlogen. Ook religie speelde een rol, rijkdom, bezit en ongelijkheid werd gezien door bepaalde groepen als tegen de regels van God, de Franciscaner broeders waren hier een goed voorbeeld van. Ook de preker John Ball, die gedurende de Engelse Boerenopstand zei “When Adam delved and Eve span, who was then the gentleman?”( “Toen Adam spitte en Eva spon; waar was toen de baron?”), met daarin duidelijke kritiek op de maatschappelijke ontstane situatie.

Volksopstanden na de Zwarte Dood

De Jacquerie

Een boerenopstand die plaatsvond in Noord-Frankrijk tussen 1356-1358, gedurende de Honderdjarige Oorlog. De Franse boeren (Jacques) kwam in opstand na de gevangenname van koning Jean door de Engelsen (prestigeverlies van de adel), de toenemende belastingdruk die de adel hen oplegde en de voortdurende aanvallen op de boerengemeenschappen door huurlingenlegers. Deze opstand was zeer gewelddadig en weinig georganiseerd, de opstandige boeren waren meer wanhopig bezig om de wereld te bevrijden van de adel, dan met een duidelijk plan om de macht over te nemen. De opstand werd uiteindelijk neergeslagen door Karel de Slechte van Navarra in de Slag van Mello, een wraakcampagne volgden, waarbij duizenden boeren werden gelyncht.

De Engelse Boerenopstand van 1381

Deze opstand werd voorafgegaan door een belastingverhoging uit 1377, om de overzeese oorlogscampagnes van Koning Edward III te financieren, dit zette al kwaad bloed bij de Engelse boeren, daar kwam bij dat Koning Richard II, ten tijde van de opstand pas 14 jaar oud was en sterk onder invloed stond van adviseurs die niet populair waren bij de bevolking. Direct na de Zwarte Dood, waren net als in de rest van Europa arbeidskrachten schaars in Engeland en arbeiders profiteerden hiervan met hogere lonen. In 1351 beval Koning Edward III het parlement om een wet aan te nemen die ervoor moest zorgen dat de lonen weer het niveau van de voor de epidemie kregen en die ervoor moest zorgen dat de boeren weer gebonden waren aan het land van hun heer. Ook dit zorgde voor weerstand bij de boeren, die ook wel beseften dat ze hard nodig waren om het land te bewerken. Ook deze opstand werd de kop ingedrukt, maar zorgde op den duur wel voor veranderingen in het feodale stelsel.

Ook de stedelijke economie werd sterk beïnvloedt door de gevolgen van de Zwarte Dood. Voor de epidemie kregen de steden al steeds meer macht, ambachten floreerden en er ontstonden gilden en andere organisaties van handelslieden, vooral in de Hanzesteden en in Italië. De epidemie had als eerste effect dat de steden te kampen hadden met een arbeiderstekort, vaak nog meer dan het platteland, omdat het sterftecijfer in de steden veel hoger was. De steden hadden echter een grote aantrekkingskracht op plattelandsbewoners die de pest overleefd hadden en een nieuw leven wilden beginnen, los van de feodale macht van de adel. Het verlies aan geschoolde ambachtslieden was zeer nijpend na de pestilentie, en kon pas jaren daarna weer op peil komen door nieuwe aanwas.

Voedselprijzen daalden sterk na de pest, terwijl de levensstandaard voor de meeste mensen wel steeg. In de steden was de rijkdom meer geconcentreerd binnen families. Opvallend is dat is waar te nemen dat het psychologisch effect van de epidemie ook doordrong in de economie, mensen gaven meer geld uit aan luxeproducten, vooral in Italië, waar de ziekte heel hard had toegeslagen en veel geld had nagelaten aan relatief jonge mensen.

Net als de adel, probeerden de rijke stedelingen, ook te voorkomen dat ‘parvenu’s’ opstegen naar hun niveau. Door bijvoorbeeld de functie van gildemeester erfelijk te maken. Beroepsopleidingen tot gildelid werden korter, omdat men de geschoolde ambachtslieden hard nodig had, maar het doordringen tot de gildetop werd moeilijker zonder familieleden. Toch was de pest ook op de langere duur van positieve invloed op de sociale mobiliteit.

Bronnen en verder lezen:

The Middle Ages, Volume I, Sources of Medieval History, Brian Tierney.
The Great Mortality: An Intimate History of the Black Death, the Most Devastating Plague of All Time (P.S.) by John Kelly
In the Wake of the Plague: The Black Death and the World It Made by Norman F. Cantor
A Distant Mirror: The Calamitous 14th Century by Barbara Wertheim Tuchman
The Decameron of Giovanni Boccaccio by Giovanni Boccaccio
Return of the Black Death: The World’s Greatest Serial Killer by Susan Scott and Christopher Duncan
Biology of Plagues: Evidence from Historical Populations by Susan Scott and Christopher J. Duncan
Drie boerenopstanden uit de veertiende eeuw | F.W.N. Hugenholtz & F.W.N. Hugenholtz
www.wikipedia.com

This entry was posted in Kruidenwetenschap, Kruidige Geschiedenissen. Bookmark the permalink.

Leave a Reply